Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoowel van de onlangs-bekeerde, dus volijverige Malakanen als van de Goedjaratsche en andere bekeerde uitheemsche kooplieden. Deze Javanen gingen dan ook bijna alle tot den Islam over en trachtten daarop hun nog onbekeerde landgenooten, die Malaka aandeden, tot hetzelfde over te halenDit had dikwijls het gewenschte gevolg, maar daar het hun niet steeds onmiddellijk gelukte, oefenden zij, gerugsteund door de krachtige Malakaansche vorsten, vaak dwang op standvastige Sjiwaïeten en Boedhisten uit. Dezen beklaagden zich dan wel bij hun vorst, den koning van Madjapahit, maar wij* zagen reeds, hoe dit rijk in den loop der 15e eeuw verzwakte, zoozeer, dat de koning geen afdoende maatregelen tegen die tyrannie van zijn vijand ') nemen kon.

Niet alleen .echter van Malaka ging sinds + 1400 de bekeering der Javanen uit; ook Goedjaratsche en Perzische kooplieden, die van ouds kostbare zijden stoffen, jüweelen, Cambaysche kralen en andere snuisterijen importeerden, deden omstreeks dezen-tijd hun best den Islam rechtstreeks op Java in te vóeren. Reeds vóór 1416 waren er verscheidenen van hen daar gevestigd. Een van die handelaars was Malik Ibrahim, misschien een Pers uit Kashan. In 1419 overleed hij' te Gresik, waar men zijn goed bewaard graf, dat groote vereering geniet, op het. kerkhof Gapoera Wetan kan vinden. De steen, waarop in fraaie krullen een Arabische inscriptie staat, is uit Cambay herkomstig. Omstreeks dezen zelfden tijd (1416) deelt een Mohammedaansch Chinees ons mede, dat er op Java wel Mohammedanen

wonen, maar ze zijn uit het Westen gekomen (m.a.w. 't zijn

vreemdelingen); de inboorlingen gelooven nog „oprechtelijk in duivels"; die waren toen dus nog niet bekeerd.

Spoedig echter zou dit veranderen. De vreemdelingen gingen n.1. met Javaanschen trouwen, en daar, de vrouw vóór het huwelijk tot den Islam moest overgaan, vormden zich op den duur Mohammedaansche Inlandsche gezinnen, die zich tot gemeenten aaneensloten. Deze werden versterkt door de Javanen, die, in Malaka bekeerd, naar hun land (voornamelijk naar Toeban, Gresik en Soerabaja) terugkeerden en door op Java zich vestigende of vertoevende Malakaansche Maleiers.

De Goedjaratten en Perzen stonden reeds van wege hun vreemdelingschap bij de bevolking in groot aanzien; moeilijk viel het hun dus niet uit de voornaamste standen meisjes tot vrouw te krijgen. Zoo huwden zij dikwijls met de dochters der reeds tamelijk onafhankelijk geworden strandgouverneurs van Madjapahit, die bij den handel van hun stad geldelijk sterk geïnteresseerd waren en het als een groot voordeel beschouwden met een aanzienlijk koopman uit het buitenland in familiebetrekking te staan. Vaak lieten ze zich zelf door hun schoonzoons tot de nieuwe leer overhalen en zoo drong.de Islam op allervreedzaamste wijze door in de hoogste

') Malaka maakte nl. tusschen 1408 en 1415 ook aanspraak op de Madjapahitsche bezitting Palembang. Zie deel I, blz. 103.

Sluiten