Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich aan dezen dus niet als iets totaal vreemds, maar als iets bekends voor. Overeenstemmingen tusschen het oude en het nieuwe geloof, aanknoopingspunten met elkander konden bekwame lieden gemakkelijk aanwijzen, want — en dit is van overwegend belang geweest — de mystieke zijde van den Islam, waarop in den aanvang zoozeer het licht viel, bezat treffende overeenkomst met het zoogenaaamde Tantrisme, de geheime en tooverkrachtige leer van het Sjiwaïsme. ') Dit gedeelte van het geloof nu heeft voor de bewoners van Java van de vroegste tijden af, tot den huidigen dag toe steeds groote aantrekking bezeten.

Hoe sterk men de gelijkheid tusschen de oude en de nieuwe leer gevoelde, wordt geteekend door het volgende verhaaltje, dat op naam staat van den bovengenoemden Kertawidjaja, Vorst van Madjapahit. Toen Raden Rahmat, de neef zijner gemalin, met een familielid uit Tjampa te Madjapahit was aangekomen, werden de jongelieden „bij den koning ontboden en sprak deze „minzaam met hen. Hij vroeg hun naar de voorschriften en de strekking „van den Mohammedaanschen godsdienst en nadat zij alles aan den koning „hadden meegedeeld, was hij er blijkbaar wel mede ingenomen, doch „eigenlijk was hij bevreesd om den reeds zoo langen tijd omhelsden „godsdienst te verlaten en een anderen aan te nemen. Daarom zeide hij „vriendelijk tot hen: de strekking van den Mohammedaanschen en den „Boeddha-godsdienst is geheel dezelfde, maar de voorschriften omtrent „het ceremonieel zijn niet gelijk. Doch dat doet niet ter zake. Ik zeg u „echter dit: aan al de inwoners van Madjapahit, die genegen zijn om den „Mohammedaanschen godsdienst aan te nemen, geef ik daartoe vrijheid, „maar het moet met hun eigen wil geschieden! Gij moogt er hen niet „toe dwingen. En wat mij zeiven betreft, mogelijk ga ik er later ook toe „over, omdat de strekking van de beide religies toch dezelfde is". 2).

En van een ander, toen reeds volgens het verhaal, verdreven vorst van Madjapahit wordt verteld, dat hij, nog heiden, vergezeld van twee trouwe dienaren, een ontmoeting had met Soenan Kali Djaga 3), met wien hij in dispuut geraakte over allerlei abstracte onderwerpen. Zij konden het maar niet eens worden, totdat de twee volgelingen verklaarden, dat de twee heeren in den grond van de zaak allebei gelijk hadden, dat het feitelijk een kwestie van terminologie was, dat de één een bepaald begrip zus, de ander het zoo noemde, doch dat ze ten slotte toch niet van meening

J) Hierop is in het Ie deel van dit werk niet voldoende gewezen.

2) Vermeld in de Babad van Diponegoro en aangehaald door Dr. W. Palmer van den Broek in „Geschiedenis van" het Madoereesche vorstenhuis" in T.s. Bat. Gen. deel XX pag. 251, 252 noot 1. Wat de geloofwaardigheid van dergelijke voorstellingen aangaat, wijzen wij op de uitspraak van Prof. Snouck Hurgronje in „Arabië en Oost-Indië" pag. 15,

aangehaald bij Schrieke, Boek van Bonang pag. 78 en 79 „de levensbeschouwing en

de leerstellingen, die de Inlandsche overlevering aan de oudste voorgangers toeschrijft, de geheele geestelijke atmosfeer, waarin de traditie betreffende de eerste prediking van den Islam zich beweegt zijn niet verzonnen".

3) Zie over dezen wali verderop.

Sluiten