Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE HOOFDSTUK.

West-Java gedurende het binnenkomen van den Islam.

Wij hebben reeds in het Ie deel gezien, dat er in het begin der 16e eeuw sinds ongeveer een eeuw in West-Java het Hindoerijk Padjadjaran met de hoofdstad Pakoean bestond en dat het verschillende havenplaatsjes bezat, zooals Bantam (eigenlijk Banten) en Soenda Kalapa, benevens Pontang, Tjikandi, Tangerang en Tjimanoek.

Het werd door een vreedzame bevolking bewoond, die zich wijdde aan den dienst harer goden, voor wie tal van vereeringsplaatsen bestonden. Eigenaardig was, dat men er in die 16e eeuw vrouwenkloosters had, waarin meisjes, die niet trouwen wilden, zich terugtrokken. Ook deden volgens een Portugeesch historicus, aanzienlijke ouders hun dochters, voor wie zij geen kans zagen een goed huwelijk te sluiten, in die kloosters en ten slotte werden weduwen, die niet den moed hadden haar man in den dood te volgen — hetgeen het meest eervol voor haar zou geweest zijn — ook non. Het rijkje bloeide door den uitvoer van peper, die volgens de berichten, jaarlijks drie millioen pond bedroeg, waarvan Chineesche schepen het meeste afhaalden. Slaven kon men er krijgen, zooveel als men hebben wilde, daar het den ouders geoorloofd was hun kinderen te verkoopen. Daar het niet aan den voornamen handelsweg van de Molukken naar Malaka en het verdere Westen lag, was het door zijn afgezonderdheid nog geen handelsrijk van eenige beteekenis. Dit veranderde, toen de Portugeezen in 1511 Malaka en in 1521 Pasei namen. Zij dwongen daardoor de Mohammedaansche kooplieden hun gewone handelsroute door Straat Malaka te vermijden en om Soematra heen door Straat Soenda te varen. Hierdoor werden de N. W. kuststreken van Java in het groote handelsverkeer opgenomen en begonnen deze, ook door de vestiging van uit Malaka uitgeweken Mohammmedanen, meer beteekenis te krijgen. De Portugeesche gouverneur te Malaka wilde daarom gaarne met het peperrijke Soenda betrekkingen aanknoopen en probeerde van den Hindoe-koning van Soenda (= Padjadjaran) vergunning te krijgen een versterkt kantoor (factorij) in zijn gebied te mogen stichten. In 1522 zond hij een zekeren Henrique Leme met geschenken naar den vorst. In Kalapa, de haven van Soenda, aan den mond der Tjiliwoeng gelegen, werd deze gezant goed ontvangen, daar de koning hoopte de Portugeezen tot bondgenooten te verkrijgen, als tegenwicht tegen de in zijn rijk opkomende macht van de Mohammedanen. Den 21sten Augustus 1522 werd er een tractaatl

Sluiten