Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE HOOFDSTUK.

Java's politieke toestand omstreeks 1530.

Als wij nagaan, ') hoe de staatkundige indeeling van Java in dezen tijd was, dan blijkt het, dat het Mohammedaansche Demak de hegemonie op Java bezat; een deel van het oude Madjapahit met de vroegere hoofdstad, had het onder zijn heerschappij gebracht en het trachtte steeds ergrootere stukken van te bemachtigen. Bovendien stonden de Soenda-landen met Cheribon grooterdeels onder zijn oppergezag, Er was echter in West-Java nog een heidensche kern, Pakoean, aanwezig, dat nog tientallen van jarèn onder zijn Hindoeschen heerscher zou voortbestaan.

In het binnenland van Oost-Java bevond zich eveneens een nog Hindoesch rijkje, het oude Toemapei (of later: Singosari) dat, misschien na het verdwijnen van de oude Madjapahitsche dynastie in 1478 den beroemden naam van Gadjahmada aannam en dat in den tijd van zijn grootsten omvang Soepit Oerang heette. De vorst van het rijk, Rangga Permana, zou vele strooptochten op het Demaksche gebied gedaan hebben, waarbij Gresik verwoest en Giri verbrand werd. 2) Het had, naar 't schijnt, de leiding in den strijd tegen de Mohammedanen, waaraan ook nog het Hindoesche Kediri of Daha en Mataram meededen. Wat het laatste aangaat: de naam van het oude Boeddhistische Mataram schijnt op een of andere wijze nog aan de plaats zijner vroegere grootheid verbonden te zijn gebleven.3) In de 16e eeuw zouden er drie honderd dorpen (doch: huisgezinnen is ook mogelijk) op het oude terrein aanwezig zijn geweest.

Panaroekan en Pasoeroean waren, evenals Balambangan (— ± Banjoewangi) in den Oosthoek van Java den ouden godsdienst trouw gebleven. Balambangan, dat onder het oppergezag van den Sjiwaïetischen vorst van Bali stond, had op zijn beurt de vroeger-Madjapahitsche gouverneurs in den Oosthoek onder zich. Er zouden zich, zegt men, ook in dit rijkje vluchtelingen uit het Hindoesche Madjapahit teruggetrokken hebben, die daar een groote sterkte met een Sjiwaïetischen tempel, Matjan Poetih

*) Op het voetspoor van Q. P. Rouffaer in de Appendix van „Wanneer is Madjapahit gevallen" pagina 198 der Bijdragen 1899, die de toestand op het eind van 1521 geeft.

2) Veth Java2 I pag. 256/7.

3) Zie voor het verdwijnen van het oude Mataram de inaugureele rede van Prof. Krom. van 1919 December.

Sluiten