Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van batterijen en het planten van het geschut, deden reeds in de tweede nacht na de landing der troepen, uit alle vier poorten met zulk een verwoedheid een uitval, dat duizenden der belegeraars sneuvelden of gewond werden. De sultan van Demak zelf, zoowel als zijn vazal van Soenda liepen beiden bij die gelegenheid kwetsuren op. De vorst, hevig vertoornd over den tegenslag, zwoer op den koran „dat hij niet zou opbreken, voordat hij óf de stad verdelgd óf zijn kroon verloren had". Doch na drie maanden belegerens was men nog even ver en had men ernstjge verliezen geleden. Ook het bouwen van een hoogen toren, van waaraf groote kogels in de stad geschoten werden, baatte niet, want de belegerden, die zich niet lieten terneerslaan, vernielden dien. Toen men nu eenige lieden uit de stad in handen had gekregen, werd er een groote krijgsraad belegd om, met de inlichtingen der gevangenen, over een nieuwen stormaanval te beraadslagen. Gedurende de besprekingen, die lang duurden, wilde de sultan een sirihpruim nemen en vroeg hij er den drager der doos, een jongen van tien jaar, om. Hij moest het bevel eenige malen herhalen, daar het kind zóó in de beraadslagingen verdiept was, dat het niets anders hoorde of zag. Eet> der edelen maakte hem eindelijk op het verlangen van zijn heer opmerkzaam, waarop de jongen neerknielde, de doos aan den pangeran voorhoudende, die hem, met de vraag of hij doof was, zacht op het hoofd sloeg. Trotsch en hoogst prikkelbaar op het punt van eer, voelde de edelknaap zich diep gekrenkt, en door wraakzucht vervoerd greep hij een klein mes, dat hij in den gordel droeg en stak het den pangeran plotseling in het hart, zoodat deze onder den uitroep „ik sterf' dood ter aarde stortte.1) De knaap werd gedood en zijn gansche geslacht uitgeroeid. Het lijk van den pangeran vervoerde men naar Demak. Het beleg werd opgebroken waarbij nog groote verliezen werden geleden, daar de inwoners van Pasoeroean onderwijl een wederom goed geslaagden uitval deden.

Wat er onmiddellijk na den dood van Trenggana plaats greep staat nog minder vast dan de omstandigheden, waaronder het sterven plaats vond, hetgeen geweten moet worden aan de hevige twisten en moordpartijen, die de sultansfamilie daarop teisterden.

Soenan Prawata meende de meeste rechten op de alleenheerschappij over het rijk van Demak te hebben. Hij heeft ze echter niet kunnen doen gelden, daar hij uit den weg werd geruimd door Arya Penangsang, den zoon van den door Prawata vermoorden Pangeran Sekar. Soenan Koedoes was het, die den Arya, zijn lievelingsleerling, tot deze wraakoefening had aangezet, want voor hem had de soenan den troon bestemd. Moord had diens vader van de hem toekomende regeering beroofd; dat de opdien vader volgende jongere broeder Trenggana toen de plaats had ingenomen was voor Arya Penangsang nog te dragen geweest, maar dat nu de moordenaar zelf den rang zou innemen, dien hij, de Arya, zonder dien

*) Overgenomen uit Veth Java2 I pag. 294.

Sluiten