Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE HOOFDSTUK.

De hegemonie van Padjang.

Het gebied van Adiwidjaja werd een krachtiger eenheid toen Sidajoe, Gresik, Soerabaja en Pasoeroean, die, zooals gezegd is, onder Pangeran Langgar stonden, zich tegen dezen gingen verzetten en zich, onder leiding van den Adipati van Soerabaja, nauwer bij Padjang aansloten. Adiwidjaja maakte den Soerabajaschen regent daarop tot zijn onderkoning (zou men kunnen zeggen) over de genoemde landstreken, waardoor deze een overheerschende positie in Oost-Java innam.

Padjang en daarmede de Islam leden echter een verlies doordat Santa Goena, de Sjiwaïetische vorst van Balambangan, zich met hulp van Bali en Soembawa in 1575 van Panaroekan ') meester maakte.

Onder den Padjangschen vorst stonden nu, behalve Padjang (ZuidWest Soerakarta) zelf, dat door hem persoonlijk werd bestuurd, tien vrije provinciën of regentschappen d.w.z. landstreken waarover de pangerans werkelijk het bewind voerden; zij worden door vreemdelingen dan ook „koningen" genoemd. Dit waren: Soerabaja, Toeban, Pati, Demak, Pamalang (= vroegere residentie Tegal) en de „volkrijkste en gezegendste": Poerbaja (= Madioen), Blitar (= Kediri), Selaron (= Banjoemas), Krapjak, (het Zuiden van Kedoe) en Mataram (= Djocja). Dit laatste stond onder Kjai Gede Pamanahan, destijds de dienaar van Adiwidjaja, die Arya Panangsang den dood berokkend had.

Hij was, naar zeer waarschijnlijk is, 2) iemand van lage afkomst, die eertijds in dienst van den vorst van Demak, of, volgens een ander verhaal, sirihdoos-drager van den regent van Pati geweest was. Wegens wangedrag straf verdienend, vluchtte deze Siroeboet (of Kastioeng) naar den vorst van Padjang, op wien de jonge man een goeden indruk maakte en die hem een betere positie gaf. Hij bracht het tot commandant van de vorstelijke lijfwacht en kreeg toen, volgens de belofte van zijn meester, wegens zijn listige handelwijze ten opzichte van Arya Penangsang, recht op het bestuur van Mataram. Adiwidjaja scheen echter weinig lust te gevoelen een man als Siroeboet zulk een hooge positie te verschaffen, zoodat deze de tusschenkomst van Soenan Kali Djaga moest inroepen, eer het

J) Wanneer die stad tevoren in 't bezit van Mohammedanen is gekomen, wordt niet meegedeeld.

2) Zie Dr. Hoesein Djajadiningrat. Crit. Besch. pag. 282 en Veth. Java2 I pag. 317.

Sluiten