Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zijn pleegmoeder,') naar Bantam en wist daar den Mangkoeboemi voor zich te winnen. Op een vergadering van rijksgrooten, dadelijk na Joesoep's dood gehouden, deed de rijksbestierder het voorstel om Pangeran Djapara tot koning uit te roepen. Dit werd goed gevonden en de Mangkoeboemi ging dadelijk zelf het gunstige besluit aan den prins meededen, die er in 't geheel geen bezwaar tegen had. Toen de kadi (rechter), een der voogden van den jongen Moehammad, dit had vernomen, riep hij zijn vier ambtgenooten bij zich. Hij overtuigde zich van hun trouw aan hun jeugdigen heer en schreef daarop een brief aan den rijksbestierder, waarin hij de hoop uitsprak, dat deze zijn meester trouw en genegen zou blijven. De mangkoeboemi begreep den wenk en belegde weer een vergadering van rijksgrooten, zonder dat de lieden van Djapara dit te weten kwamen. Thans stelde hij voor om den onmondigen knaap op den troon te plaatsen. De meegaande vergadering vond dat ook goed. Nu begaf de listige patih zich met een olifant naar Pangeran Djapara en verzocht hem, daarop in vol ornaat plaats te nemen. Geflankeerd door den rijksbestierder en Ki Demang Laksamana reed Pangeran Djapara met een groot gevolg en alle rijkssieraden tot dichtbij den aloen-aloen, waar de rijksbestierder den stoet liet stil houden: hij zou eerst zelf de rivier, die voor de aloen-aloen stroomde, overgaan. Onder het afdak van de buitenpoort van het paleis zat de jonge wettige troonopvolger op den schoot van den kadi en omringd door de rijksgrooten. Toen de mangkoeboemi de rivier was overgestoken stelde hij zijn volk op de aloen-aloen op. Vervolgens ging hij terug en deelde Pangeran Djapara mede, dat hij door zijn neef Molana Moehammad was gezonden om hem te beletten de aloen-aloen te betreden; de Pangeran moest maar, naar Djapara teruggaan; prauwen waren al voor hem in gereedheid gebracht. Een gevecht ontbrandde daarop, onder aanvoering van Ki Demang Laksamana, die verontwaardigd was over het verraad van den patih. Deze doodde den admiraal en Pangeran Djapara moest met zijn overgebleven volgelingen vluchten en naar Djapara terugkeeren. Hierna werd Pangeran Moehammad tot vorst uitgeroepen en genoemd Kandjeng Ratoe Banten (of: Soerasowan) en de kadi droeg de voogdij over den koning aan den mangkoeboemi over.

J) Zie blz. 20.

Sluiten