Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ran werd daarop het bestuur over Pasoeroean gelaten, welk gebied hij, zooals wij zien zullen, in 1596 trachtte te vergrooten.

Senapati onderwierp vervolgens Kediri; de regent van dat gewest, met wien de Mataramsche vorst zeer ingenomen was, werd door dezen tot zoon aangenomen en bevelhebber over de troepen gemaakt.

In 1587 probeerde Oost-Java nogmaals, en nu met behulp van Padjang, dat gaarne wederom de eerste rol zou spelen, het Mataramsche juk af te werpen, doch dit mislukte. Ook Demak beproefde zijn geluk nog eens, met even slecht resultaat. De stad werd veroverd en zóó verwoest, dat zij zich nooit geheel van den schok herstelde. Waarschijnlijk vluchtte toen het geslacht van den Pangeran Arya Pangiri (den van Padjang zoo smadelijk verdreven tweeden sultan) uit het gebied van Demak. Een zoon van den vroegeren oppervorst, die een zwervend leven leidde, maar toch nog in aanzien stond, omdat zijn vader „Keizer van heel Java" geweest was, zullen wij nog in Bantam ontmoeten.

Ondanks zijn successen wist Senapati gedurende zijn bewind het veroverde gebied toch nooit geheel tot onderwerping te brengen. Herhaaldelijk braken er opstanden uit, nu eens in Djipang,') dan weer in Kediri en in Pasoeroean. Daarbij kreeg de vorst het somtijds zeer moeilijk. Eenmaal moest hij zelfs op zijn hoofdstad terugtrekken, maar hij wist zich nog te handhaven. Ook zijn zwager, Pragola van Pati, wien hij een groot gebied had toebedeeld, viel van hem af; doch deze boette dit met het verlies van zijn land.

Met Cheribon trad Mataram in vriendschappelijker relatie. In 1590 sloot Senapati een verbond met Panembahan Ratoe en bouwde hij voor dezen een muur „van een ongemeene dikte" rondom de hoofdplaats. Waarom dit gebeurde, meldt de geschiedenis niet, hoogstwaarschijnlijk was het, opdat Cheribon zich daardoor beter tegen aanspraken van Bantam zou kunnen verzetten. Tegen deze stad n.1. koesterde Senapati veroveringsplannen: tusschen 1596 en 1599 (er wordt slechts terloops melding van gemaakt) rustte hij een expeditie uit, die Bantam aan de zeezijde zou aanvallen, maar de schepen, die de troepen moesten overbrengen, bereikten hun doel niet. Voortaan was Bantam er steeds angstvallig op bedacht, zijn onafhankelijkheid tegenover Mataram te bewaren. Aan Cheribon is dat niet gelukt. Tegen den overweldigend-machtigen bondgenoot was het kleine rijkje niet bestand en in de eerste helft der 16e eeuw ging zijn positie van bondgenoot „op-voet-van-gelijkheid" gaandeweg over in die van vazal, totdat Mataram het in 1650 geheel onderwierp.

Het landschap Galoeh, ten Zuiden van het Cheribonsche gebied, werd in 1595 bij Mataram gevoegd.

Zuid-Rembang.

Sluiten