Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

persoonlijk het bewind. Er omheen lag het in den loop van Senapati's regeering veroverde gebied, bestaande uit Madioen (= Poerbaja), Kediri (= Blitar), Pasoeroean, Probolinggo, Besoeki, Balambangan, dat telkens weer het juk afschudde, het eiland Madoera, Soerabaja, Zuid-Rembang (= Djipang), Semarang (= Pati en Demak), een deel van Pekalongan (nl. Pemalang), Banjoemas (= Selarong), Pasir met een deel van de Preanger en Zuid-Cheribon (nl. Galoeh). Hier heerschten ongeveer vijf en twintig vrijwel onafhankelijke pangerans, die zich slechts noode in het oppertoezicht van Mataram schikten en herhaaldelijk pogingen deden en nog zouden doen, om algeheele vrijheid te verkrijgen, wat, behalve aan den ver verwijderden vorst van Balambangan aan geen van hen gelukte. Toch was hun macht aanzienlijk: de titel, dien de Hollanders hun op het eind der 16e eeuw en in 't begin der 17e eeuw steeds toekennen bewijst, dat zij op vreemdelingen den indruk van vorsten maakten. In Toeban b.v. dat in 1599 door den vice-admiraal Van Heemskerck werd bezocht, was van Mataramsch gezag niet het minste te bespeuren. De vorst, een zeer beminnelijk, dik man, hield er een mangkoeboemi (door de Hollanders gouverneur genoemd) op na en leefde op grooten voet: hij bezat een fraai paleis, reed op een olifant, had vijftig a zestig vrouwen en werd ook door verschillende gevolgd, die hem het water, het sirihstel e. d. nadroegen. Hij was een groot liefhebber van honden en vogels, zooals prachtige papegaaien en tortelduiven. Voor prins Maurits gaf hij den Hollanders een mooie kris met gouden gevest en schede en twee fraaie lansen mede.')

De Mataramsche havensteden waren, zooals wij weten, meerendeels van ouden datum; alleen Semarang (d.w.z. de benedenstad), dat dan ook nog geen grooten handel bezat, was nog zeer jong. De vroegere residentie Demak — nog aan zee gelegen — was door een stevigen muur omringd; het ging, door de reeds vermelde politieke gebeurtenissen op .het eind van Senapati's regeering, hard achteruit. Djapara, eens de stad der machtige regenten van Kali Njamat, lag, door een pagger omgeven aan een fraaie rivier en bezat een zeer goede haven, die wegens zijn overvloed van levensmiddelen door de schepen druk bezocht werd. Pati en Djapara, Gresik en Djaratan voerden veel zout uit naar Bantam, naar Soematra's Westkust, de Lampongs en Djambi, waar het ingeruild werd tegen peper, lak (daar aangevoerd uit Neder-Birma), wierook (benzoë), katoen en schildpad; ook ging het naar Celebes, waar men er dan rijst en katoen voor in de plaats kreeg. Djaratan (nu verdwenen) had, dank zij zijn uitstekende haven en de onmiddellijke nabijheid van Grësik, de voornaamste der tweelingssteden, een uitgebreiden handel in specerijen. De schepen die van de Molukken op weg naar Bantam waren, deden gewoonlijk de plaats aan om er levensmiddelen te koopen, welke zij met specerijen betaalden. De Portugeezen waren er groote afnemers van notemuskaat, foelie en kruidnagelen en brachten jn ruil daarvoor alles wat de Javanen behoefden, ook

x) Zie De Jonge. Opkomst, II blz. 404 e.v.

Sluiten