Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geld, dat ze hun „op bodemerij" ') leenden voor het varen naar de Molukken en Banda. Katoen, wol en garens waren er ook te koop. Lasem was de plaats waar van djatihout oorlogsprauwen gemaakt werden, volgens de instructies, zooals gemeld wordt, van vreemdelingen te Bantam. Mandalika was slechts een visschersplaatsje. Het dichtbevolkte (reeds vermelde) Toeban bezat nog steeds een bloeienden handel. Het machtige Soerabaja had zijn gezag ook over Sedajoe (d.w.z. Oud-Sedajoe) uitgebreid, waar een stadhouder, een groot heer, het bestuur waarnam. Sedajoe bezat destijds een fraaien steenen muur met bolwerken, doch het had een onbeschutte en modderige reede. Hieraan onderhoorig was Brondong (of: Blimbing), dat nu zoo goed als verdwenen is. Pasoeroean bezat een grooten handel in kralen voor bidkettingen s) en vervoerde katoenen lijnwaad, vooral naar Bantam, om het tegen Chineesche waren in te ruilen. Panaroekan, een ommuurde stad, had een drukke slavenmarkt, waarop de Portugeezen er velen voor Malaka kochten. Deze Westerlingen deden de stad geregeld aan, als ze van de Molukken naar Malaka of omgekeerd gingen. De nog heidensche vorst, de bondgenoot van Balambangan, was hun goed gezind en zoo hadden zij daar in 1580 een nederzetting kunnen vestigen van Capucijnermonniken, door wie vele Javanen tot het Christendom bekeerd waren; kerken en kloosters waren er toen verrezen, doch reeds in 1599 was de heele stichting vernietigd (door wien en waarom wordt niet meegedeeld) en de Christenwijk *) ontvolkt. Qestreepte weefsels werden er in de stad veel gemaakt. Balambangan, waarvan nu slechts de ruïnen — Ardja Balambangan — over zijn, lag goed ommuurd aan den linkeroever der Kali Pangpang en leverde.veel klappernoten en klapperolie op.

De weelde der vroegere Hindoevorsten bestond in het nog onrustige, strijd voerende Mataram niet meer. Door de talrijke oorlogen en oorlogjes was het leven minder verfijnd en practischer, nuchterder geworden, wat ook door het Mohammedanisme in de hand gewerkt werd. De krijgslustige Senapati was niet gewoon in fraai-bewerkte wagens rond te rijden, gelijk Hajam Woeroek er placht te gebruiken en zooals de vorsten op het rustige, Hindoesche Bali er nog bezaten. Kwamen ze op Java nog voor, dan werden ze door vrouwen of prinsjes 4) gebruikt. De groote heeren bereden paarden of een enkele maal olifanten, doch de laatsten werden meer als trekdieren aangewend.

*) Zij, die hun geld op bodemerij gaven, deden dit door den schipper, die op avontuur uitging, een zekere som voor te schieten, waarmee hij mocht handelen, op voorwaarde, dat de uitleener het dubbele van zijn bedrag terugkreeg. Verongelukte het schip dan was de uitleener zijn geld kwijt. Kon de schipper niet aan de afspraak voldoen, dan moest hij vrouw en kinderen in onderpand geven, totdat hij zijn schuld had afgedaan.

*) Van vruchten van de madja-keling = elaeocarpus Rob.

3) Deze plek heet thans nog bij de Javanen „benteng", liggende in de desa „Koeta Bedah" (= verwoeste stad). Dit ligt 2 K.M. N.O. van de tegenwoordige Kota Panaroekan. (Eerste Schipvaart. Yzerman en Rouffaer blz. 185/6 noot 41).

4) Zie blz. 90 noot 1.

Sluiten