Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewapend met de unster (weegstok = datjin, waarlangs de gewichten heen en weer bewogen kunnen worden) de peper, Bantam's hoofdproduct, in 't binnenland opkochten. Tegen den tijd, dat de Chineesche schepen voor Bantam werden verwacht hadden zij de peper reeds in de havenstad aangevoerd. De keizer van China had de Portugeezen, die zijn onderdanen bij den opkoop van dit product concurrentie aandeden, voor een som gelds daarvan doen afzien, zoodat deze Westerlingen nu alleen kruidnagelen, notemuskaat, foelie, sandelhout Spaansche en staartpeper en allerlei drogerijen tegen hun uit Malaka aangebracht lijnwaad inruilden.

De Chineezen voerden in de eerste plaats het minderwaardige geld in, dat op heel Java gangbaar was geworden, de „pitjis" of „pisis",') dunne looden muntstukjes met een vierkant gat in 't midden, waarvan duizend stuks slechts ± twintig cent waard waren 2) en die in drie, vier jaar wegsleten. Verder importeerden de Chineezen nog fijn en grof porselein, zijde aan 't stuk, damast, fluweel, satijn, zijden garens, gouddraad, goudlaken, naalden, kammen, brillen, pajoengs, muilen, spiegeltjes, waaiers, fraaie kistjes, papier (want de Bantammers gebruiken behalve lontarbladen ook papier om er op te schrijven), almanakken, goud in blaadjes, kwikzilver, koperwaren, Japansche sabels en medicijnen. Men ziet, welk een gewichtige rol zij voor het dagelijksch. leven op Java vervulden. Hun export bestond behalve uit de reeds vermelde peper, uit indigo, sandelhout, kruidnagelen, notemuskaat, schildpad en ivoor. In Bantam gevestigde Chineezen vervaardigden daar gouden en vergulde drinkvaten, die echter, volgens den Hollandschen berichtgever, niet zoo fijn bewerkt waren als de Balische. Ook stookten zij er arak.

De Bantamsche kooplieden zelf gingen niet op handelsreizen, maar bleven thuis en behaalden winsten door hun geld op bodemerij te geven.

Vanuit Bantam, de stapelplaats der buitenlandsche waren, werd alles over den Archipel verdeeld. De Javanen en de bewoners der andere eilanden kwamen de vreemde goederen te Bantam halen en brachten hun eigen producten op de heenreis mee. Zoo kreeg men in de stad zout uit OostJava, suiker (goela Djawa) uit Djapara en Djacatra, rijst van Makassar en Soembawa aangevoerd. Het laatste hadden de Bantammers hard noodig, want hun eigen land leverde maar een vierde op van wat de bevolking noodig had. Wisch werd door de inwoners zelve 'veel gevangen, maar nog bovendien gedroogd uit Krawang en Bandjarmasin aangebracht, welke laatste plaats met Djacatra, Krawang, Timor en Palembang ook veel honing en was leverde. Uit Balambangan werd klapper en klapperolie aangevoerd. De Molukken en Banda gaven, zooals van zelf spreekt, hun notemuskaat, foelie en kruidnagelen, de kleine Soenda-eilanden het sandelhout, Soematra het

1) Door de Portugeezen „Caixas" genaamd, vandaar 't Engelsche „cash" (Javaansch „keteng"). (Eerste Schipvaart pag. 65 noot 4).

2) Dat geld van zulke geringe waarde op Java zoo zeer in trek was, wijst aan, dat de levensstandaard er zeer laag was. Verderop wordt dan ook vermeld, dat een slaaf zich voor 4 ets. per dag kon voeden.

Sluiten