Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ivoor. Katoen en kleeren kreeg men o.a. van Bali en Soembawa, tin en lood van Perak, Kedah en Oedjoeng Selong, (North-West-Cape) op Malaka; ijzer van de Karimata-eilanden, harpuis') van Banda en Bandjarmasin, waar ook de vrachtprauwen van wildhout gemaakt werden.

Bantam zelf leverde in overvloed de dagelijksche leeftocht (rijst uitgezonderd): kippen, eieren, vruchten en visch waren er zeer goedkoop, zoodat zelfs een vreemdeling zich daar voor twintig cent per dag volop kon voeden.

De schepen, die de koopstad aandeden, bleven op de door eilandjes goed beschermde ree liggen, want een eigenlijke haven was er niet. Wat de sterkte van de plaats betreft: de baksteenen muren bezaten in 1596 wel geschut op de bastions, doch dit was onbruikbaar, doordat de Bantammers er niet mee wisten om te gaan en zij bovendien gewoonlijk geen kruit hadden, behalve als zij eens iets konden krijgen uit Malaka, waar de Portugeezen een kruitmolen hadden. Torens had de muur niet, maar wel bevonden zich daar achter los-staande stellages van drie verdiepingen, die met ladders beklommen konden worden en vanwaar men over de muren heen kon schieten. Toen men vernam, dat Senapati van Mataram met 15000 man een aanslag op de stad ging beproeven — de expeditie bereikte, zooals reeds gemeld is, de stad niet —hadden de inwoners binnen langs den muur een houten steiger aangebracht, om, nog beschut achter de borstwering, daar bij de verdediging op te staan. De poorten waren moeilijk toegankelijk en werden scherp bewaakt, daar men nog steeds voor een nieuwen aanval van den machtigen Matarammer op zijn hoede was. Toen echter die vrees in 1598 gaandeweg verminderde, werden de verdedigingswerken verwaarloosd en zou men de gesloten poorten, die geen ijzerwerk hadden, gemakkelijk met een handboom hebben kunnen openen. Ook de muren liet men toen zoo vervallen, dat ze geheel nutteloos werden.

De eens zoo schoone rivier2) was smal en ondiep geworden, vol troebel en stinkend water, waarin krengen ronddreven. De afvoer liet veel te wenschen over, waardoor de stad zeer moerassig en buitengewoon ongezond was.3) 's Avonds werd de kali door eenige bamboe's afgesloten, terwijl de bootjes opgelegd werden, opdat niemand daarmee 's nachts de stad zou doorvaren. Rooilijnen kwamen er in Bantam niet voor: alle huizen stonden schotsen en scheef dooreen. Er waren dan ook maar drie rechte straten in de stad, die van de aloen-aloen naar zee, naar de landpoort (in 't Zuiden) en naar de bergpoort (in 't Wésten) leidden, alle zonder plaveisel of grint en dus óf zandig óf modderig. De stad was

*) Gekookt hars, met zwavel of terpentijn gemengd, voor het smeren van stengen en rondhouten tegen den houtworm. (Van Dale's Groot Woordenboek der Nederlandsche taal).

2) De Kali Banten, reeds eerder vermeld, die midden door de stad liep, met twee takken aan weerszijden daarvan.

8) Tal van vreemdelingen stierven, als zij eenigen tijd in Bantam verblijf hadden gehouden.

Sluiten