Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door afsluitingen verdeeld in wijken, die elk onder een edelman stonden voor de bewaking in geval van oorlog, brand en ander onheil. Elk stadsdeel had een bedoeg, die geslagen werd bij onraad en ook geregeld 's ochtends, 's middags en 's avonds. Gongs werden gebruikt om het volk op te roepen.

Het erf van de huizen der Voorname inwoners was door klapperboomen beschaduwd en met een pagger omringd. Voor het huis lag een pleintje, waar de bewoner, onder een met atap gedekte pendopo gehoor verleende aan ieder, die hem spreken wilde. In een hoek van dien voorhof stond een bedehuisje naast een put voor de afwasschingen. Liep men verder naar binnen dan kwam men aan een poortje met daarachter een smalle gang vol hoeken en gaten voor de slaven, die de bewoners moesten bewaken. De huizen eindelijk rustten op fraai uitgesneden palen en waren met atap gedekt. Voor de koelte hadden ze in 't geheel geen deuren en werden ze 's nachts alleen met gordijnen „dichtgeschoven". Kamers of zolders kwamen er niet in voor; de wanden waren van gespleten bamboe gemaakt en de vloeren met matten bedekt. Binnen in elk groot huis kwam een steenen kluis voor, zooals de Madjapahiters ook reeds bezaten, ter bewaring van al hun kostbaar goed. Tegen brandgevaar — dat herhaaldelijk bestond — bedekten de Bantammers het metselwerk nog met zand. Een gewoon huis kon snel en met weinig onkosten opgezet worden en het trof den vreemdelingen dan ook, dat er, na een brand, binnen drie a vier dagen weer een nieuwe woning kant en klaar stond, welke den eigenaar ongeveer/2,25 had gekost.

Slechts één huis van de inwoners was in Bantam van steen n.1. dat van den sjahbandar, die zooveel koopwaar op te bergen had; zelfs de kraton was van hout, behalve dat zich daarin ook een hooge steenen kluis bevond. Vóór de koninklijke woning strekte zich de door waringins beschaduwde aloen-aloen uit, waar eiken ochtend om ongeveer negen uur markt werd gehouden, nadat de pasar aan de oostzij van de stad, bij het strand, reeds was afgeloopen. De groote moskee (er was nog een kleinere, bij de vroeg-pasar) was ook aan het plein gelegen; de muren van dit gebouw waren van baksteen en met porselein ingelegd;1) het dak werd door groote sandelhouten pilaren opgehouden. Binnen in de moskee was de school, waar behalve de godsdienst ook lezen en schrijven (wat de Bantammers volgens de vreemdelingen keurig deden) en Arabisch werd onderwezen. De koningsgraven, waar, zooals vermeld is, Hasanoeddin o.a. bijgezet was, grensden er aan. De woning van den mangkoeboemi, het arsenaal en de gevangenis kwamen ook alle op de aloen-aloen uit. Aan de noordzij ervan werden onder pendopo's groote prauwen opbewaard, een gebruik, dat tot + 1650 op Java algemeen was.2) Den vreemdelingen, zooals Chineezen en Portugeezen, was een woonplaats buiten de muren aangewezen, aan de westzij der stad. In hun kwartier werd 's middags nog een markt gehouden, zoodat men zich in

Zooals de heilige graven bij Cheribon. 2) Eerste Schipvaart blz. 130 met noot 2.

Sluiten