Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het gewone volk en de slaven gingen óf blootshoofds óf droegen een plat mutsje; verder hadden ze alleen een doek om het middel gewonden. Het waren flinke menschen, hoewel klein van «tuk en ze liepen haast geluidloos, wat de Europeanen zeer trof. Zij aten alleen rijst metwatsajoer en stinkende vischjes, welke door de rijken versmaad werden. Het voedsel der meer gegoeden bestond overigens ook voornamelijk uit rijst en visch; vleesch of kip gebruikten ze weinig, wel veel zoetigheid, zooals vruchten in suiker gekookt. Hun wijze van eten, waarbij ze de hand als lepel gebruikten, kon bij de Westerlingen geen genade vinden, evenmin als hun onophoudelijk sirih kauwen, waar ze zelfs mee doorgingen, als ze tot den koning spraken. Hun monden waren er erg breed en vuurrood door geworden en daar zij die veel open hielden, konden de Hollanders zeggen, dat het daarbinnen met een rij gebroken tanden, zwart als inkt, net een verbrand dorp geleek.

J Zooals van zelf spreekt, voerden de Bantamsche aanzienlijken niet heel veel uit; een talrijke slavenstoet hielden ze er voor het werk op na en zelf brachten zij den dag door met zich, temidden hunner vrouwen gezeten, door muziek en dans te laten vermaken. Voor hanengevechten hadden zij de levendigste belangstelling. De mindere man werkte ook niet hard; meestal zat hij, eveneens onder de tonen van muziek, een krisheft of een stok uit te snijden, waardoor men in Bantam wèl uitstekende beeldsnijders aantrof. De Engelschman Scot, die in 't begin der 17e eeuw eenige jaren in Bantam verblijf hield, schatte, dat nauwelijks één procent der bevolking er werken wilde, waardoor deze dan ook zeer arm bleef. Van den Mohammedaanschen godsdienst had het lagere volk zich nog niet veel eigen gemaakt: „God is goed," zeiden zij, „en wil ons geen kwaad. De duivel echter wil ons schade toebrengen;" daarom werd die door velen uit vrew aangebeden. Overigens was er ook nog een groot deel der bevolking niet tot den Islam bekeerd. In de voorname standen daarentegen was men gewoonlijk godsdienstig, hoewel men zelden naar de moskee ging; maar verscheidenen hadden een Mohammedaanschen godsdienstleeraar bij zich in huis.

Slaven waren 't, die bijna al het werk verrichtten. Zij waren er in grooten getale en goedkoop te krijgen. De gewone prijs bedroeg op het eind der 16e eeuw negen gulden het stuk; de beste — door wie de eigenaar groote inkomsten trok — kwamen uiterst zelden op de markt, daar men ze voor geen vijf en dertig gulden zou hebben willen missen. Een deel der slaven bleef in het huis van den meester in de stad; andere werden in de tuinen van hun heer op het land te werk gesteld. Daar zamelden zij de door hen verzorgde vruchten in, welk zij hun meester toezonden. Ook kwam het voor, dat zij klapperboomen in huur kregen tegen ongeveer veertig cent per stam. Om dit geld voor hun meester bijeen tejcrijgen, werd het hun toegestaan om eerst in daghuur ergens te gaan werken, waarbij zij dan 800 pitjis/nèf den kost, of duizend daarzonder verdienden (zij konden zich dus blijkbaar voor 200 pitjis of + 4 ct per dag voeden). Sommige slaven kregen alleen den kost (rijst

Sluiten