Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met wat sajoer) en kleeren zonder meer. Anderen werkten eerst zes dagen voor hun heer en daarna zes voor zich zelf. Vooral onder de visschers bestond deze regeling. In grooten getale voeren dezen op zee uit in prauwen, uitéén boomstam gemaakt. Kwam het uit, dat zij hun eigenaar bij het afdragen van de winst hadden bedrogen, dan werden ze in 't blok gesloten of verkocht.

De slavinnen zaten voor een deel op de markt met koopwaar en moesten eiken dag een bepaalde som aan haar meester afdragen, andere zaten binnenshuis te spinnen, van katoen of boomvezels gestreepte stof te weven of te batiken.') De kinderen der slaven kwamen ook aan den meester, die met zijn eigendom mocht doen wat hij wilde; alleen moest hij voor het dooden van een slaaf de toestemming van den koning vragen, welke echter steeds, zelfs wegens het kleinste vergrijp, werd gegeven. Doodde iemand eens andermans slaaf, dan moest hij twintig realen (ƒ 45.—) boete betalen; voor een vrij man moest men in zulk een geval vijftig, voor een edelman honderd realen geven. Niet licht zou iemand het wagen een zijner slaven te beleedigen, wel wetende, dat hij dan niet lang meer te leven had. Verschillende hunner waren tevoren als vrij man in gebreke gebleven een schuld aan hun crediteur te voldoen en waren daarom door dezen, mét hun vrouw en kinderen van de vrijheid beroofd. Niettegenstaande de gestrengheid der wet, die dit toestond, waren de Bantammers toch slechte betalers.

Tusschen de slaven en vrijen in stonden de „gevangenen des vorsten," die met de middeleeuwsche hoorigen in Europa te vergelijken zijn. 'Zij namen een stuk land van den koning of van andere groote heeren in huur en betaalden in rijst of in geld het verschuldigde bedrag. Zij mochten verhuizen, als ze wilden, mits ze maar de bepaalde som afdroegen.

De andere lieden, die in Bantam hard werkten en er daardoor groote rijkdommen vergaarden, waren de Chineezen. In tegenstelling met de inwoners zagen zij tegen geen arbeid op en in den koophandel waren zij bovendien zeer slim. Wij vermeldden reeds, dat zij de moeite namen, om het binnenland in te trekken en daar de peper op te koopen, die zij op die manier tegen geringeren prijs kregen dan temidden van concurrenten op de markt; ook verbouwden zij ze zelf wel, evenals padi. De Bantammers misgunden den Chineezen hun rijk worden zeer en verheugden zich altijd, als er eens een van hen gestraft werd, wat bij het tuchtigen van een Inlander met dezelfde gevoelens van de zijde der Chineezen werd beantwoord.

Andere vreemdelingen, de Klingen, bekleedden dikwijls hooge posten, daar, volgens Scot, de Bantammers zelf voor regeeringszaken onbekwaam waren. Zoo had een marskramer uit Maliapoer (bij Madras) het door zijn goed verstand tot sjahbandar — oppertollenaar — gebracht, terwijl een stadgenoot van hem in 1596 ceremoniemeester van den gouverneur was.

1) Dit moet wel het door de vreemdelingen vermelde „beschilderen" van stoffen

zijn.

Sluiten