Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alle edelen, die deel uitmaakten van den rijksraad, waren volgens denzelfden Engelschman, omkoopbaar en namen gaarne geschenken aan. In den koophandel betrachtten zij tegenover vreemdelingen een andere moraal dan tegenover hun landgenooten: de eersten bedrogen zij zooveel ze konden, maar elkander deden zij dat niet. Diefstal echter kwam onder elkaar veelvuldig voor, doch wegens het ontbreken van politie werd daar niets tegen gedaan Wie echter een dief op heeterdaad betrapte,mocht hem dooden en ontving nog bovendien een belooning van ƒ 1,50. De straf voor een moord kon, zooals wij zagen, afgekocht worden voor een som gelds aan den vorst, met het gevolg dat de onbevredigd gebleven verwanten van den vermoorde zich herhaaldelijk gewelddadig op den moordenaar wreekten. Vele misdaden bleven door deze gebrekkige berechting van staatswege zoo goed als ongestraft, maar de inkomsten des konings stegen er door.

Eigenaardig in het Mohammedaansche Bantam waren de sporen van — zoo niet verbranding dan toch van offering van weduwen bij sterfgevallen. Wat echter in den Hindoetijd bittere ernst moet geweest zijn, was nu een vertooning geworden. Als er nl. een man overleden was, werd zijn lijk door familieleden. en vrienden naar het graf gebracht met weenende klagers voorop. Op het oogenblik, dat het lijk in 't graf gelegd werd, deed de weduwe alsof zij daar ook in wilde springen, maar werd dan door haar familie teruggehouden, hetgeen steeds gelukte. Zij nam dan aarde in de handen en besmeerde daar haar gezicht mede. Vervolgens ging men onder veel misbaar huiswaarts.

De dood van een huisvader was voor de nagelaten betrekkingen een onoverkomelijke ramp, daar de vorst gerechtigd was zoowel de weduwe met de kinderen als de bezittingen aan zich te trekken. Om zooveel mogelijk hun kinderen het lot van slaaf worden te besparen, zorgden de ouders er voor, hen zeer vroeg te laten trouwen, daar zij dan hun vrijheid behielden. Het genoemde vorstelijk recht bleef tot in het begin der 19e eeuw in Bantam bestaan.') Ook verder bezat de koning er absolute macht.

De vorst, die op het eind der 16e eeuw in Bantam het bewind voerde, was Pangeran Moehammad, die, zooals reeds is medegedeeld, in 1580 na den mislukten aanslag van zijn oom, Pangeran Djapara, op negenjarigen leeftijd den troon bestegen had. Ouder geworden wist hij zich door zijn vroomheid en flinkheid bij zijn onderdanen zeer bemind te maken. De rijksbestierder, die in den beginne wegens de jeugd van den koning feitelijk het bestuur uitoefende, was Djajanagara, die bij het optreden van Pangeran Djapara weliswaar een vreemde houding had aangenomen, doch die zijn vorst gedurende diens verder leven steeds trouw bleef aanhangen. Een dochter van hem werd later de eerste echtgenoote van den koning; zij heette toen Ratoe Srenggana (of Srengganawati). Onder de selirs, die de vorst bezat, was een prinses van Boenigehi (of Boenigari), die gewoonlijk Njai Gede Wanagiri genoemd werd, de voornaamste.

!) Dr. F. de Haan, Priangan III pag. 194 en pag. 205.

Sluiten