Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veroveringen uit te gaan en de ondernemende jonge man, wiens vader Padjadjaran en wiens grootvader de Lampongs onderworpen had, ging gretig op het voorstel in. Palembang zou het doel van den veroveringstocht worden. Als zoon van den vorst van Demak beweerde Pangeran Mas aanspraak op die stad te hebben, daar Palembang leenroerig was geweest aan Madjapahit, in welks rechten Demak was getreden. Of deze bewering juist was, valt niet uit te maken, doch Pangeran Mas liet ze gelden en hij beschouwde het uitblijven van Palembang's huldebetoon als een daad van rebellie. Zelf niet in staat die nalatigheid te straffen, droeg hij zijn rechten over op Pangeran Moehammad en deze liet dadelijk een groote vloot en vele troepen uitrusten, om ze te doen gelden. De mangkoeboemi gevoelde weinig sympathie voor het avontuur en ried den koning aan, er zijn eigen leven niet bij in de waagschaal te stellen. Maar de jonge vorst liet zich niet van zijn voornemen afbrengen om zelf aan het hoofd van de expeditie uit te trekken; de mangkoeboemi volgde toen zijn vorst en ook Pangeran Mas nam, zooals vanzelf spreekt, aan den tocht deel. De bewoners van de Lampongs hadden van hun suzerein de opdracht gekregen van de landzijde tegen Palembang op te trekken. Van Bantam voeren in de eerste helft van 1596 twee honderd zeilen uit, met zulk een menigte troepen, dat de voorzièning van levensmiddelen te moeilijk bleek te zijn en er op den tocht velen van honger omkwamenDe koning had aan den kadi het bestunr over het land opgedragen; in de kraton bleef zijn eenig kind, een jongen van nog slechts enkele maanden — hij moet ongeveer in Januari 1596 geboren zijn — achter, aan de zorg zijner moeder, Njai Gede Wanagiri toevertrouwd.

De Palembangers waren op de komst der vijanden voorbereid en hadden een vierdubbele pagger van tambesi hout gebouwd, waartegenover de Bantammers er ook een maakten. Bij het eerste gevecht werden de belegerden teruggeslagen en het duurde niet lang of de stad werd zeer in het nauw gebracht. Reeds meenden de Bantammers, dat over eenige dagen de stad in hun handen vallen zou, toen door een ongelukkig toeval hun verwachtingen plotseling vernietigd werden. Terwijl hun jonge vorst op een avond n.1. welgemoed met zijn edelen aan den 'maaltijd zat, vloog er een kogel uit de stad op zijn schip, ketste tegen het lansenrek en trof den koning zoo in het hoofd, dat hij 'op slag gedood werd. De mangkoeboemi nam hem op en bracht hem terstond naar zijn vertrek, waar hij hem voortdurend bewaakte, voorgevende, dat de vorst sliep. Na drie dagen maakte hij bekend, dat de koning terug wilde keeren, waarop het beleg opgebroken en de terugtocht aanvaard werd. Voor Bantam aangekomen, liet de rijksbestierder den kadi weten, dat slechts het lijk van den vorst teruggekeerd was en dat dit in de soerambi (gaanderij) van de groote moskee moest begraven worden. De kadi kreeg de opdracht den jongen Aboelmafachir met de rijkssieraden daarheen te brengen en op die plaats werd toen het kind, dat nu vijf maanden oud was, als het ware onder de auspiciën van zijn vader, tot koning uitgeroepen. De vader, die op deze wijze op vijf en twintigjarigen leeftijd weggerukt was, heette sinds dien

Sluiten