Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Portugeezen in eenige relatie stonden.1) Toen nu in 1594 ook Houtman met het noodige nieuws uit Lissabon terugkwam, achtten de Amsterdamsche kooplieden zich voldoende voorbereid om de verre reis naar het Oosten te laten ondernemen. Vier scheepjes, die tezamen nog niet zooveel inhoud hadden als één Portugeesche kraak, voeren in April 1595 uit, met de opdracht om den koers te richten naar een streek in Indië, waar de vijandige Portugeezen geen gebied hadden, en om te probeeren een geregelden handel met de Inlanders te beginnen, zoo mogelijk ergens een vast kantoor te stichten.2)

Van Van Linschoten nu wist men, dat de Portugeezen in West-Java geen gezag bezaten en dat zij den Hollanders daar den handel niet konden beletten; daarom zeilde men naar de groote handelsplaats in die streek. De Hollanders hielden (naar hun reeds verouderde inlichtingen) Soenda Kelapa daarvoor, doch reeds in Straat Soenda bemerkten zij, dat die naam niet meer bekend was en dat zij in Bantam moesten zijn.

De eerste Hollanders, met wie de bewoners van Java kennis zouden maken, bestonden voor het meerendeel uit ruw zeevolk zonder veel beschaving, ofschoon er verschillende welopgevoede lieden onder waren, op wie niets te zeggen viel,3) die vol belangstelling al het nieuwe en ongewone, dat zij te zien kregen, in zich opnamen.4) De leiding van de onderneming liet dien eersten keer alles te wenschen over, daar de hoofdenjonderling de' grootste oneenigheid hadden en de oppercommies, CornelisvHoutman, die de handelstransacties voerde, een tactloos man met een minderwaardig karakter was.

In den beginne liet zich alles gunstig aanzien: de Bantammers begonnen met terstond de Hollanders dringend, namens het gansche koninkrijk, te verzoeken naar Palembang te willen varen om die stad van de zeezijde te beschieten. Zij zelf zouden dan van de landzijde er naar optrekken. Als de stad genomen was, zou alles wat er in was voor de Hollanders zijn. Deze verontschuldigden zich echter met te zeggen, dat zij gekomen waren om vreedzaam handel te drijven en niet om krijg te voeren, waarop ditmaal niet meer van de zaak gerept werd. Terstond ook waarschuwden de Bantammers de nieuw aangekomenen voor de dubbelhartigheid der Portu-

1) Zijn reisverhaal „Itinerario" werd door toedoen van de regeering pas in 1596 uitgegeven, iom anderen geen gelegenheid te geven, eerder dan de Hollanders, van zijn inlichtingen te profiteeren.

2) Ook voor de wetenschap — de kennis van de aarde, van vreemde volken en talen —werd de onderneming van groot belang geacht. Reeds de deelnemers aan den eersten tocht brachten dan ook — vermoedelijk in opdracht of op verzoek van Hollandsche geleerden —lontarhandschriften van Java mee. Zie Dr. B. J. O. Schrieke. Boek van Bonang. Voorrede.

3) Zie Dr. H. T. Colenbrander in „Reisverhaal van Jacob van Neck (1598—1599) in Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap te Utrecht XXI pag. 198 en 199.

*) Aan zulke Hollanders hebben wij de tamelijk uitgebreide kennis van Bantam b.v. te danken, de stad waar zij de meest versche indrukken van het Oosten opdeden.

Sluiten