Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Portugeezen, zeer goed ontvangen en ditmaal werd, gedurende het gansche verblijf der Hollanders op de reede, de vriendschappelijke verhouding met de Bantammers niet verstoord. Grootendeels was dit te danken aan het bezadigd optreden van den admiraal Van Neck en den onder-admiraal Van Heemskerck, beschaafde en ontwikkelde mannen,') die tegenover de hebzucht van den mangkoeboemi en den sjahbandar steeds een waardige houding wisten aan te nemen. Van Neck begreep, dat hij, na de vijandige daden van Houtman en de zijnen eenige mildheid moest toepassen en zijn royaliteit viel erg in den smaak der Bantammers. Toen de handel naar wensch vlotte, vroeg Van Neck verlof ook eens den jongen koning te mogen bezoeken, opdat hij er zich later, in zijn vaderland, op zou kunnen beroemen in diens tegenwoordigheid te zijn geweest. Een gouden beker op een voetstuk bracht hij voor den vorst mede, een geschenk, dat de mangkoeboemi gaarne heimelijk voor zichzelf had willen houden, hetgeen Van Neck voorkwam, door het in tegenwoordigheid van alle edelen te vertoonen. Een oom van den vorst, Pangeran Ranamanggala, een jongeling van ongeveer drie en twintig jaren, de schoonste Javaan, dien Van Neck nog gezien had, geleidde den admiraal hoffelijk aan de hand naar de kraton. Daarbinnen bevond zich een breed plein, waar omheen galerijen liepen en in welks midden een fraaie pendopo stond. Hieronder zat, op een tapijt, de kleine koning, een kind van drie jaren, schoon van gezicht en zedig van houding, het lichaam van het middel tot de knieƫn bedekt. Om hem heen zaten, stil als beelden, vele vrouwen, die alle iets in de hand hielden. Verder zat er niemand meer onder de pendopo; op zij ervan zat de gouverneur met nog enkele andere hoogwaardigheidsbekleeders en daarachter de alleraanzienlijkste edelen van het land. De laksamana, die wegens zijn dapperheid zeer geacht was, ging met Van Neck vlak tegenover den koning zitten; de admiraal nam het gouden drinkvat in de hand, dat hem werd afgenomen door een kostbaar gekleed man, die, geheel tot de aarde neerbuigend, het aan den gouverneur overdroeg, waarop ten slotte een oude vrouw (vermoedelijk Njai Emban Rangkoeng), die vlak bij den koning had gezeten, den beker voor den koning nederzette. Volgens de omzittenden schepte de jeugdige vorst veel vermaak in het present en toen men zoo eenigen tijd had gezeten, nam een der vrouwen het koningskind op en droeg het, door al de andere vrouwen vergezeld, naar zijn kamer; tot het binnen was, bleven alle edelen met het hoofd neergebogen op den grond zitten. Zeer verwonderd over de goddelijke eer, die de Bantammers een sterfelijk menschenkind bewezen, vertrok Van Neck, doch in het weggaan vroeg Djajanagara hem of hij wellicht geneigd zou zijn, Palembang tezamen met de Bantammers in te nemen.

Eenige dagen later werd hierover in den breede met de edelen, onder wie zich ook de Pangeran van Djacatra met nog drie andere broeders van

Men leze b.v. de aantrekkelijke reisbeschrijving van Van Neck, ,door Dr. H. T. Colenbrander uitgegeven; reeds in een noot op blz. 52 vermeld. Van Neck werd later Burgemeester in Amsterdam.

Sluiten