Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den overleden vorst Moehammad bevonden, onderhandeld, daar de Hollanders wel lust in de expeditie hadden. De Bantammers boden twee scheepsladingen peper aan, te leveren, nadat Palembang genomen zou zijn, waarvoor de Hollanders zich zes maanden te hunner beschikking zouden stellen. Daar tegenover vroeg Van Neck één scheepslading vóór en één na de expeditie te leveren. „En als wij de stad niet veroverden", vroegen de edelen, „zoudt gij ons dan de peper weerom geven?" Die zouden de Hollanders houden, antwoordde de admiraal, voor den dienst, dien zij hun bewezen. Dat zou volgens de Bantammers dwaas van hen gehandeld zijn: eerst groote kosten maken voor den oorlog en als het slecht afliep nog peper bovendien geven; maar Van Neck zou het, zeide hij, nog veel dwazer van de Hollanders vinden, als zij hun ten slotte voor niets, zes maanden lang met vier voortreffelijke schepen dienden, terwijl de schepelingen toch gevoed moesten worden en zij geen gelegenheid hadden elders winst te behalen. De anderen bleven echter bij hun eerste bod. Maar, zei Itferop weer de admiraal, als het nu eens gebeurde, dat God wel de overwinning schonk, maar de mangkoeboemi sneuvelde, van wien zouden zij dan om voldoening van de belofte kunnen vragen? „Van de hier aanwezige edelen" antwoordde Djajanagara. Toen kon Van Neck niet nalaten te lachen, want gedurende zijn verblijf hadden zij zóó herhaaldelijk contractbreuk gepleegd bij leveringen, dat zij hem wel voor heel onnoozel moesten houden, als ze meenden, dat hij hun wel op goed geloof dienen zou. De zaak had dan ook verder geen voortgang en eenigen tijd daarna vertrok Van Neck in vrede en vriendschap met een rijke lading van Bantam.

De indruk, dien de admiraal van het bestuur aldaar had gekregen, was niet zeer gunstig. De mangkoeboemi, de edelen en de ambtenaren waren er allen op uit om hun eigen zak te vullen, zonder zich om de welvaart van de bevolking of om aangegane afspraken te bekommeren. Zoo kochten zij de producten van den minderen man tegen lagen prijs op en verkochten ze dan met groote winsten aan de vreemdelingen; herhaaldelijk werd ook den bewoners het verkoopen verboden, om den machthebbers hooge inkomsten te verzekeren. Op alle ingevoerde waren matigde de gouverneur zich het recht van voorkoop aan, terwijl hij anderen nauwelijks gunde, dat ook zij zich bij de vreemdelingen voorzagen. Hij bood bovendien zoo laag, dat het wel leek, alsof hij meende, dat de Hollandsche waren gestolen waren. Was men het over den prijs van de peper eens geworden, dan eischte de regeering bij het naar boord brengen van de waar plotseling honderden realen er bovenop en als die niet gegeven werden, kwam de peper niet in het schip, zoodat, zegt Van Neck, het handel drijven te Bantam heel goed zou gaan, als de gouverneur en de sjahbandar er maar niet waren.

De gouverneur Djajanagara stierf op het eind van 1602, waarop een broeder van hem zijn plaats innam. Dit was echter van zeer korten duur, daar hij reeds in November van dat jaar weer afgezet werd. Zijn goederen

Sluiten