Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Het overige West-Java op het eind der 16e eeuw.

Het aan Bantam leenroerige Djacatra ') was nu een onbeduidende plaats geworden, waarvan de handel in specerijen geheel naar Bantam was verplaatst. Men kon er zich echtei nog steeds goedkoop van levensmiddelen, zooals klappers, kippen, vruchten, palmwijn en arak2), voorzien. Toen de vloot van Houtman in 1596 het stadje aandeed, ondervond zij er, hoewel de Bantammers de Djacatranen tegen de Hollanders hadden gewaarschuwd, er niets dan beleefdheden. De pangeran Raden Bagoes, kwam zelfs met zijn edelen aan boord en bekeek een der schepen met veel belangstelling. Ook van Neck, die in het begin van 1599 het plaatsje met eenige schepen bezocht, werd er hartelijk onthaald. De pangeran gaf te kennen, dat zijn land wel klein was, doch dat de vreemdelingen er mochten koopen, wat ze krijgen konden. Hem werd een groot genoegen gedaan met het steken der trompetten.

Was Djacatra in aanzien gedaald — Cheribon was zeer vooruitgegaan en na den bouw van den muur, waarvoor Senapati in 1590 gezorgd had, een, volgens de Hollanders, schoone en groote stad geworden. Een soortgelijk aureool van heiligheid als Soenan Goenoeng Djati omstraald had, verhoogde ook het aanzien van diens opvolger en achterkleinzoon Panembahan Ratoe, en daardoor stak geheel Cheribon in aanzien boven zijn omgeving uit. Evenwel bezaten de Cheribonsche vorsten volstrekt geen geestelijk oppergezag over West-Java, zooals dat in Oost-Java wel het geval was met de Soenans van Giri.

Dat Cheribon van oppergezag van Bantam niet weten wilde, doch langzamerhand onder invloed van zijn machtigen bondgenoot van Mataram geraakte, is reeds vermeld. De Mataramsche bezittingen waren door de verovering van Galoeh in 1595 reeds aan de grenzen van Cheribon genaderd. Over een deel der Preanger oefende Cheribon gezag uit, doch hoever zich dat uitstrekte, is niet aan te geven.

Over de positie van de Preangerlanden in het algemeen valt voor dezen tijd weinig met nauwkeurigheid te zeggen. Een gedeelte ervan behoorde stellig aan Bantam, n.1. de omstreken van Pakoean (bij het tegenwoordige Buitenzorg). Of het geheele gebied van Padjadjaran, dat zich zou uitgestrekt

1) De naam Soenda Kalapa bestond nog wel, maar was buiten gebruik geraakt.

2) De arak werd door Chineezen gestookt.

Sluiten