Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

De betrekkingen der Hollanders met Java van 1596—1602 en

De oprichting der O. I. Compagnie.

Toen Cornelis Houtman in Augustus 1597 in Holland teruggekeerd was, bleek de lading, die hij meegebracht had, van zeer geringe beteekenis te zijn; doch de zeeweg naar Indië was nu voor de Hollanders geopend en de vrees voor de groote macht der Portugeezen uit den weg geruimd. Op verscheiden plaatsen in de Nederlanden richtten groote kooplieden nu terstond maatschappijen op, om op het verre Oosten handel te drijven. Deze „Compagnieën" zonden elk afzonderlijk schepen naar Indië uit en als de verschillende commiezen daar elkander op eenzelfde handelsplaats ontmoetten, boden zij er vinnig tegen elkaar op, om toch maar zoo gauw mogelijk de gewenschte lading binnen te krijgen en die vóór de anderen in Holland aan te brengen. De later komenden vonden daar dan de markt overvoerd en de eigenaren moesten zich met een lageren prijs voor de door hen aangebrachte waren vergenoegen. In Indië veroorzaakte het groote aantal schepen, dat tegelijk of kort na elkander op een zelfde plaats aankwam, dat de Inlanders hun prijzen verhoogden, daar ze verzekerd waren hun specerijen toch wel te zullen slijten. In 1599 was b.v. de prijs van de peper in Bantam reeds aanzienlijk gestegen en in 1600 rees zij zoo zeer, dat de toen arriveerende admiraal Van der Hagen er van af zag ze in te koopen en naar Ambon doorvoer.

De aanrakingen van Java met de Hollanders waren in de eerste jaren van zeer oppervlakkigen aard. Alleen de kustplaatsen, waar deze vreemdelingen evenals andere kooplieden kwamen handelen, maakten met hen kennis; het binnenland bleef volstrekt onberoerd. De betrekkingen met de inwoners waren op West-Java van vriendschappelijker aard dan in het Oosten, want Bantam ging, dank zij hun geregelde bezoeken, zeer vooruit: de specerijen, die tot op dezen tijd (+ 1600) veel in de handelssteden van Oost-Java verhandeld werden, gingen hoe langer hoe meer naar Bantam, omdat men zeker was daarmede bij de Hollanders, die deze stad steeds bij hun aankomst in Indië aandeden, veel aftrek te zullen vinden. Vier Hollandsche verkoopplaatsen (factorijen of loges — winkels en kantoren) waren er in 1602 reeds

Sluiten