Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in Bantam aanwezig. De Bantammers maakten voor hun waren goede prijzen en de algemeene welvaart vermeerderde door de toenemende vraag der talrijke vreemdelingen naar producten zeer.

De Oost-Javanen echter zagen de verplaatsing van het handelsvertier begrijpelijkerwijs met leede oogen aan en niet minder de Portugeezen, die te Gresik-Djaratan de specerijen insloegen. Nog op andere wijze werd OostJava door de Hollanders benadeeld, doordat deze zich rechtstreeks naar Banda, Ambon en de Molukken begaven, om er de daar voortgebrachte en zoo gewilde waren in te koopen en daarbij dikwijls de belofte verkregen (op soortgelijke wijze als de Portugeezen), dat de inwoners uitsluitend aan hen de specerijen zouden verkoopen. En ofschoon b. v. de Bandaneezen zich daaraan niet streng hielden, verminderde daardoor toch de toevoer naar Oost-Java. Reeds in 1600 probeerden de Toebanners dan ook, op aanstoken der eveneens benadeelde Portugeezen, om de op Banda verblijvende Hollanders weg te voeren, hetgeen echter mislukte.

Toch werd in 1602 een proef genomen om ook in het Oosten van Java een Hollandsch kantoor te vestigen. Van de toenmalige gouvernante (weduwe van den gouverneur) van Gresik kreeg Jacob van Heemskerck verlof een huis in haar stad te bouwen. De Hollanders moesten er later beloven den Portugeezen, van wie men nog veel voordeel genoot, geen overlast aan te doen. Groote winst heeft deze loge den Hollanders echter nooit opgeleverd.

De pangeran van Demak gaf in hetzelfde jaar 1602 blijken van minder goede gezindheid door een twaalftal matrozen van Heemskerck's vloot verraderlijk gevangen te nemen. Deze personen bewezen den vorst bij de belegering van zijn stad door Mataram, welke kort na het gebeurde plaats had, gewichtige diensten.

Door den voortdurenden oorlogstoestand, waarin Oost-Java in de eerste jaren der 17e eeuw verkeerde, was dit gedeelte van het eiland weinig geschikt om er handel te drijven. De Hollanders bepaalden zich dan ook steeds meer tot het Westen en begaven zich vandaar naar de Molukken; toch deden zij op reis daarheen gaarne het Mataram toebehoorende Djapara aan, dat immers zoo goedkoop levensmiddelen verschafte en waar men hen gaarne zag verschijnen'

Onderwijl was er in de positie der Hollanders, die zich naar Indië begaven, in 1602 verandering gekomen. Tot op dien tijd door verschillende, elkaar benadeelende maatschappijen ') uitgezonden, werden zij dit v;>n het genoemde jaar af uitsluitend door één gedaan, n.1. door de handelscompagnie, waartoe de concurrenten zich vereenigd hadden: de zoogenaamde Vereenigde Oost-Indische Compagnie. De nadeelen van hun afzonderlijk optreden in het Oosten, zonder eenheid en zonder kracht (die zij in de Molukken zeer behoefden tegen Portugeezen en Spanjaarden, met wie de

]) De maatschappijen, die in 't begin opgericht waren, smolten kort voor 1602 tot vijf samen.

Sluiten