Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Bantam en zijn betrekkingen met de Compagnie van 1602—1610.

De jonge vorst van Bantam, Aboelmafachir, was, zooals reeds gezegd is,') in 1602 onder de voogdij van zijn moeder, Njai Gede Wanagiri gekomen; een gouverneur was er over hem niet meer aangesteld, daar men het er niet over eens kon worden, wie die waardigheid zou bekleeden. Wel was er een nieuwe regent-rijksbestierder aangewezen en deze werd een geschikt echtgenoot voor de vorstelijke weduwe bevonden. Het huwelijk had inderdaad plaats en nu werd de regent ook gouverneur van zijn stiefzoon, dien hij uitmuntend verzorgde. Al spoedig echter raakte hij met de pangerans, zijn vorstelijke aanverwanten, wegens hun willekeurig optreden, in strijd. Een oom van den koning, pangeran Mandalika (een zoon van pangeran Joesoep), die telkens in geldnood zat en dan niet tegen roof en brandstichting opzag, maakte zich in 1604 wederrechtelijk van een jonk met rijst uit Djohore (Malaka) meester. Deze handelwijze zou Bantam, dat zelf lang niet genoeg rijst produceerde, in de toekomst hongersnood kunnen bezorgen, daar door zulke handelwijzen dergelijke schepen de stad zouden vermijden. Daarom beval de mangkoeboemi den pangeran volk en goed weer los te laten, doch deze weigerde. De verwanten van den weerspannige sloten zich bij hem aan en verschansten zich in de stad. De handel stond stil en markt werd er niet gehouden. Toen kwam de pangeran van Djacatra met meer dan 2500 man naar Bantam en daagde de rebeUen uit. Persoonlijk was hij ook op hen gebeten, daar zij kort tevoren getracht hadden hem uit zijn rijk te verdrijven. Zij verschenen echter niet buiten hun versterkingen, waarop de vorst en de admiraal vreemdelingen te hulp riepen. Dit waren de Engelschen, die in het laatst van 1602 voor het eerst te Bantam verschenen waren 2) en daar spoedig verlof kregen om er handel te drijven en er een kantoor te stichten.

Een paar dagen na dit verzoek echter kwam er reeds een schikking tot stand. Pangeran Mandalika zou, vergezeld van slechts dertig man, binnen

*) Zie blz. 57 hiervoor.

2) Lancaster stond aan het hoofd van de vloot, die door een vereeniging van Londensche kooplieden was uitgezonden. De goede uitslag van dé scheepstochten der Hollanders naar Indië verkreeg weldra door de uitgave hunner reisjournalen, die in verschillende talen werden overgezet, een algemeene bekendheid en wekte ook in andere landen den ondernemingsgeest op. Tiele „De Europeeërs in den Maleischen Archipel". Zesde deel, 5de hoofdstuk blz. 65. Zie ook de volgende bladzijden aldaar.

Sluiten