Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zes dagen het Bantamsche gebied verlaten. De rebellen verkozen dezen afloop boven vechten, daar zij, volgens hun zeggen, zouden moeten gaan bedelen, als hun dienaren sneuvelden. Pangeran Mandalika's medestanders bleven echter gevaarlijke elementen in de stad, waar ook overigens het leven verre van rustig en veilig was. Gedurende 's konings minderjarigheid ging er van de regeering geen kracht genoeg uit en hiervan profiteerden zoowel de edelen als het lagere volk. Brandstichtingen en roof waren aan de orde van den dag en bleven gewoonlijk ongestraft. Vooral had men het gemunt op de kantoren en pakhuizen der vreemdelingen, zooals die der Hollanders, Engelschen en Chineezen. Hollanders en Engelschen waren verbitterde concurrenten van elkander en wat het mindere scheepsvolk aangaat, dit bewaarde evenmin den onderlingen vrede. Herhaaldelijk werden er vechtpartijen tusschen Hollandsche en Engelsche matrozen geleverd, die door hun hoofden, met meer beschaving en zelfbeheersching, weer bijgelegd moesten worden. Met de Chineezen hadden Engelschen en Hollanders beiden telkens oneenigheden.

In 1603 voerden de Lampongers een maand lang een schrikbewind in de stad. Plotseling deden zij een inval, drongen de huizen binnen, kapten een deel der bewoners het hoofd af en namen die mee, want hun „koning", bitter vijand der Bantammers, gaf hun voor elk hoofd van een vreemdeling, een vrouw. De Bantamsche regeering deed er niets tegen; blijkbaar was de zwakheid van het bestuur ook in de Buitenbezittingen van Bantam merkbaar.

Groote feestelijkheden hadden er in de stad plaats toen koning Aboelmafachir, tien jaar oud geworden, in 1605 werd besneden. Een maand vóór de gebeurtenis begon men reeds met het opvoeren van een vertooning op de aloen-aloen, waar een tooneel was opgericht. Men gaf een voorstelling van het bestormen en verdedigen van een fort door Javanen, Hollanders en Engelschen gezamenlijk, want ook de vreemdelingen waren uitgenoodigd om aan de festiviteiten deel te nemen; bovendien bedienden Hollanders en Engelschen, op verzoek van den mangkoeboemi, de musketten. Alle lieden van eenig vermogen gaven den vorst bij deze gelegenheid een geschenk; dikwijls combineerden zich eenigen met elkaar, om met iets bizonders voor den dag te komen. Wie met zijn present klaar was, leverde het af, maar liet het den koning, op den aloen-aloen tronend, eerst in het openbaar vertoonen. De vorst werd eiken dag uit zijn kraton naar de verheven zitplaats op het feestterrein gedragen, schrijlings zittende op den nek van een dienaar, die 's konings beenen voor zich vasthield. Vele fraaie pajoengs werden dan boven zijn hoofd en rondom hem gehouden. Zijn lijfwacht trok voor hem uit; de rijksgrooten volgden. Daarna begon een bonte optocht voorbij te trekken: voorop musketiers en piekeniers met vanen en koperen trommen, waarop zij een helsch lawaai maakten; daarna schilddragers met pijlen; vervolgens werden er boomen met vruchten van allerlei soort, echte en nagemaakte dieren en vogels voorbijgedragen. Mannen en vrouwen, als tooneelspelers verkleed, dansten en sprongen met verbluffende vaardigheid in den stoet rond. Twee

Sluiten