Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a drie honderd vrouwen, in groepen van tien verdeeld en onder leiding van een eerwaardige oude, droegen dan de geschenken, alle door een pajoeng beschermd, voorbij : heel veel rijst en geld (pitjis) in aardig beschilderde en vergulde rotanmandjes, ook meer kostbare zaken, zooals een met goud geborduurden tulband voor 's konings eigen gebruik. De jongste zoontjes der schenkers, eveneens onder pajoengs, kostlijk uitgedost en met goud en edelsteenen versierd, sloten den optocht. Nadat deze kinderen hun hulde aan den jeugdigen vorst bewezen hadden, gingen zij op matjes in zijn nabijheid zitten en verdwenen de geschenken in den kraton.

De Engelschen gaven bij die gelegenheid o.a. drie witte konijnen, op Java toen nog onbekende dieren, verder vier door Chineezen kunstig gemaakte „vreeselijke serpenten," terwijl eenige mooie stoffen en pistolen met gouden holsters het meer substantieele gedeelte der geschenken vormden, welke door dertig fraai gekleede knapen werden gedragen. Door een aardig opgesierd Chineesje lieten de Engelschen dat alles met een toespraak aanbieden. Het vuurwerk, dat er bij afgestoken werd, viel erg in des konings smaak, maar de vrouwen verschrikte het zeer.')

Op een geschehken-optocht volgde steeds de een of andere voorstelling: spiegelgevechten van tandakkende krijgers, historische vertooningen, met onderwerpen uit de „Jaarboeken van Java" 2) of van godsdienstigen aard. Eenmaal liet men door middel, van een mechaniek jonken met rijst en geld over het tooneel varen. Dergelijke uitvindingen hadden de Bantammers in de eerste plaats aan de Chineezen en ook aan Goedjaratten, Turken en andere vreemde handelaars te danken.

Een der indrukwekkendste feestdagen was die, waarop de pangeran van Djacatra zijn geschenken kwam brengen en den leeneed aflegde. Wel zes honderd man van de Bantamsche lijfwacht was den ochtend van zijn komst op de aloen-aloen opgesteld om den leenman tegen mogelijke aanslagen van de hem doodelijk hatende pangerans te beschermen. To$n de Djacatraan de lijfknechten gepasseerd was bemerkte hij, den koning niet te kunnen bereiken zonder een heele rij van zijn vijanden te moeten passeeren. Ofschoon een dapper man, geraakte hij hierdoor van zijn stuk, bang dat een der pangerans hem in het voorbijgaan een krissteek zou toebrengen. Hij zette zich neer op zijn matje en begaf zich pas tot den koning, toen die hem door twee der voornaamste edelen liet halen. Hij legde den leeneed af en werd daarop door den koning omhelsd. Zijn geschenken, door drie honderd vrouwen gedragen, werden door drie honderd soldaten voorafgegaan en bestonden uit geld, echte en nagemaakte vogels, vreemde dieren, waaronder een reusachtige tijger 3) in een kooi, ook een

x) Wat de Hollanders gaven, vermeldt de Engelsche beschrijver van de feesten, Scot, niet. Hij was op de in Indië voorspoedigere Hollanders tamelijk jaloersch.

2) Meer inlichtingen verstrekt Scot hierover niet.

3) Scot zegt, dat hij in de twee jaar, dat hij in Bantam vertoefde, nog nooit een tijger had gezien. In de stad werd men er dus in dien tijd niet lastig door gevallen. Wel had deze gevangen tijger eerst vele menschen verslonden.

Sluiten