Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen Aboelmafachir den gewelddadigen dood van zijn stiefvader vernam, was hij zielsbedroefd. Ranamanggala werd tot gouverneur en rijksbestierder aangewezen, daar de koning blijkbaar niet wist, dat hij, achter de schermen, de hoofdaanlegger van den moord was geweest. De aanwezigheid van zijn handlanger Joedanagara moet voor den opvolger van den vermoorde zeer onaangenaam zijn geweest en daarom besloot Ranamanggala met eenige zijner vrienden Joedanagara om te brengen, geheel in strijd met zijn gedane belofte. De moordenaar kreeg de lucht van dit voornemen en vluchtte, door vele poenggawa's, o.a. den admiraal en enkele pangerans gevolgd, naar de kust (ilir = benedenstrooms, waarnaar deze opstand de „Pailir" genoemd werd). De rebellen riepen Pangeran Koeion tot vorst uit, hoewel deze slechts in verren graad familie van den koning was, doch men had geen beteren candidaat. Duizenden gewapenden stonden tegenover elkaar, zonder overigens veel kwaad aan te richten, daar b.v. hun werpmachines meer in de lucht dan onder de vijanden schoten. Maar in de stad was de verwarring groot en handel kon er weder niet gedreven worden. Ook dit maal was het Pangeran Djacatra, die in 1609 een eind aan de rebellie maakte: de hoofdaanleggers moesten met hun aanhangers, die ± 7000 man telden, naar Djacatra verhuizen. Pas in 1617 mochten zij weer naar Bantam terugkeeren.

Sinds Pangeran Arya Ranamanggala het bewind voerde (eind 1608) trad de Bantamsche regeering krachtiger op, daar de mangkoeboemi een buitengewoon energiek man was, die het belang van Bantam zeer goed inzag en de zelfstandige positie van het rijk met hand en tand verdedigde. Zijn neef Aboelmafachir gaf hij niet het geringste aandeel in de regeering; stevig hield hij zelf de teugels in handen en heerschte als een tyran: niemand durfde zich tegen hem verzetten. ') Tegenover de vreemdelingen gedroeg hij zich zeer wispelturig; hun aanwezigheid was voor Bantam hoogst voordeelig en dit was hem een spoorslag om een tegemoetkomende houding tegenover hen aan te nemen. Had hij hun echter een gunst verleend (altijd tegen hooge betaling) dan was hij dadelijk daarop bang, dat zij zich te veel gezag in zijn land zouden aanmatigen, waarom hij hun terstond weer een hinderpaal in den weg legde. De Hollanders vooral hadden van zijn — zeer verklaarbare, doch bij hen verwenschte — grilligheid te lijden.

De Bantammers hadden voor de Nederlanders langzamerhand groot ontzag gekregen, hetgeen vooral begonnen was, sinds op het eind van 1601 een kleine Hollandsche vloot onder Wolfert Harmensz, uit drie schepen en twee jachten bestaande, voor de stad de overwinning had behaald op acht Portugeesche galjoenen en twee en twintig kleinere scheepjes, die Bantam waren komen blokkeeren en die vervolgens alle Nederlanders uit den Archipel zouden verdrijven.2) De Hollanders vielen hen echter onverhoeds op het lijf en Verjoegen hen van voor de stad.

Zie Dr. Hoesein Djajadiningrat. Crit. Besch. pag. 172. 2) Zie De Jonge. Opkomst enz. II pag. 262 en 263.

Sluiten