Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voortdurend deed de Compagnie Bantam met een groot aantal schepen aan en reeds in 1604 had zij door haar groote macht op de ree van den toenmaligen rijksbestierder gedaan weten te krijgen, dat het den Chineezen verboden werd aan de vreemdelingen peper te verkoopen. De Hollanders hoopten zoo het opkoopen bij de bevolking door de Chineezen tegen te gaan en zelve voor lageren prijs rechtstreeks in te kunnen koopen. De in 1603 gestichte loge der Vereenigde Oost-Indische Compagnie (waarin de vier bestaande kantoren te Bantam waren opgegaan) was een belangrijk handelscentrum voor de Nederlanders geworden, van waaruit zij op de omliggende plaatsen en de andere eilanden (o.a. Borneo) voeren. Een president of directeur, terzijde gestaan door twaalf personen, was er voor den tijd van drie jaar aan het hoofd gesteld. Vier rechters behandelden de burgerlijke en crimineele kwesties der in de stad verblijvende Hollanders, wier aantal in 1605, toen er vele schepen voor Bantam vereenigd waren, honderd man bedroeg. Een predikant had voor het geestelijk heil der aanwezigen te waken.

In Februari 1609 sloten de Hollanders met den koning een contract, inhoudende, dat zij de Bantammers tegen alle- aanvallen van Spanjaarden, Portugeezen en andere vijanden zouden bijstaan. Begonnen de Bantammers echter ergens het offensief, dan waren zij niet gehouden hen te helpen. De Hollanders verkregen hiervoor vrijen handel en woonplaats en vrijstelling van alle lasten; ook zou aan Spanjaarden, Portugeezen en andere Europeanen het verblijf in de stad ontzegd worden. Ranamanggala was echter niet van zins zich aan deze, voor de Hollanders zoo voordeelige, overeenkomst te houden; die vreemdelingen zouden zich naar zijn meening, daardoor veel te zelfverzekerd voelen en inderdaad waren deze zoozeer van hun gewenschtheid in de stad overtuigd, dat zij zich allerlei ontoelaatbare handelingen veroorloofden, waartegen hun president uiterst slap optrad. Onverwachts verhoogde de gouverneur daarom de in- en uitvoergelden en hij was voor geen vergelijk vatbaar, toen de president van de Hollandsche loge zich daartegen verzette. Driftig viel de mangkoeboemi onder het gesprek uit, dat zij maar moesten vertrekken, als ze de tollen, die hij hun naar zijn believen zou opleggen, niet wilden betalen. Ook maakte hij aanmerking op de grootte van hun gebouwen, daar hij door gebeurtenissen in de Molukken geleerd had, hoe spoedig steenen huizen forten konden worden; hij zou ze, naar het scheen, in zijn gebied liefst heelemaal afbreken. Om den Hollanders verderen aankoop van steenen huizen te beletten, liet hij die der Chineezen bijna alle omver halen. Ranamanggala hield zich echter nog eenigermate tegenover de Hollanders in, omdat juist in dien tijd (eind 1610) de vorst van Mataram Bantam met oorlog bedreigde (wat geen gevolg had) en hij op dat tijdstip het aantal vijanden niet zelf wilde vergrooten.

De Hollanders wilden echter niet langer van zijn grillen afhankelijk zijn en besloten onderhandelingen aan te knoopen met den pangeran van Djacatra over vrijdom van handel en verlof tot vestiging in zijn gebied. Tevoren

Sluiten