Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wolfert Harmensz en meer anderen maakte de Compagnie bovendien tegen zich, door haar schrielheid in het beloonen van dappere daden. Zoo kwam het, dat de aandeelen, die o.a. op 140 gestaan hadden, tot 47 en 48 daalden en dat de Compagnie haar ondergang nabij achtte. Slechts door krachtig ingrijpen was een ineenstorting te voorkomen en een der maatregelen hiervoor genomen, was de benoeming van een oppergouverneur in Indië, die zou staan boven de admiralen der vloten en de gouverneurs of presidenten der kantoren, door wie tot nog toe elk op zijn wijze Compagnie's zaken

behartigd of verwaarloosd waren. „Het veelhoofdig wanbestuur"

moest plaats maken voor een krachtig centraal oppergezag. Buitenlandsche vijanden zou de G. G. ook dienen te bestrijden, want wel had de Republiek der Vereenigde Nederlanden in 1609 een wapenstilstand voor twaalf jaar met den koning van Spanje gesloten, doch de Spanjaarden en Portugeezen in Indië waren niet genegen die te erkennen. Zij stonden er te goed voor, kenden Compagnie's zwakheid en hun energieke gouverneurs wenschten daarvan in dezen tijd te profiteeren.

Pieter Both had van bewindhebbers verschillende'instructies meegekregen en begon, in Bantam aangekomen, met het instellen van een Raad van van Indië, waarvan, behalve hij zelf, vier opperkooplieden lid werden. ') Samen stelden zij een boekhouder-generaal en een fiskaal-generaal (= procureur-generaal) aan. De G. G. moest vervolgens het personeel, der kantoren van de slechte elementen zuiveren, iets wat even moeilijk bleek te zijn als het tegengaan van den particulieren handel van de ambtenaren.2) De Specerij-eilanden moest Both zoo aan de Compagnie trachten te verbinden, dat geen andere natie van de producten daar, iets kon bekomen. Ten slotte had de G. G. een geschikte plaats uit te kiezen, waar het bestuur zich veilig kon vestigen en de schepen zich zouden kunnen verzamelen. Bantam, Djohor (O.-kust van Malaka) of Djacatra waren daarvoor genoemd, doch Djacatra kwam het meest in aanmerking. Daar het te Bantam niet mogelijk scheen, moest Both van den Djacatraanschen pangeran het verlof tot bouwen van een fort in zijn gebied zien te verkrijgen.

Both begaf zich dan ook reeds in Januari 1611 naar Djacatra om den pangeran de bedoelde toestemming te vragen. Hij bemerkte echter wel, dat deze daarvan niets wilde weten: het in 1610 gesloten contract viel 'hem reeds te zwaar en de G. G. moest zelfs de voor de Compagnie ongunstige wijziging daarin goedkeuren, dat er voortaan tol zou worden geheven bij den uitvoer van levensmiddelen, die tevoren vrij waren geweest.

*) Dit aantal werd in 1617 uitgebreid tot negen.

2) Dit misbruik, dat de Compagnie in haar inkomsten benadeelde, bleek onuitroeibaar, daar de loonen der Compagnie's dienaren zeer laag waren en deze aan groote verleiding bloot stonden.

Sluiten