Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

De betrekkingen tusschen Bantam, Djacatra en de Compagnie van 1610—1619.

De eerst jaren na 1610 waren voor Bantam en Djacatra een tijdperk van onderlingen naijver en stillen strijd. Door de vestiging van een Hollandsen kantoor te Djacatra vreesde Bantam in zijn handelsbloei benadeeld te worden; Widjaja Krama van zijn kant hoopte er groot voordeel van en inderdaad zag hij zijn stad en zijn eigen rijkdom door het verkeer met de Hollanders snel toenemen. Hierdoor werd de verhouding tusschen beide plaatsen gespannen en Jan Pieterszoon Coen, die in 1613 tot boekhoudergeneraal en tot hoofd van de kantoren Bantam en Djacatra was aangesteld, wakkerde dien naijver zooveel mogelijk aan. Immers, waren Ranamanggala en Widjaja Krama het samen eens, dan zouden zij beiden de in- en uitvoerrechten van allerlei waren steeds hooger kunnen opdrijven, tot schade van de Compagnie, die er wel in zou hebben te berusten. Nu echter voerde Coen belangrijke artikelen, zooals Coromandelsche kleedingstukken niet meer in te Bantam, doch te Djacatra, omdat er in de eerst stad wel, in de tweede geen tol van geheven werd. Zulk een handelwijze had dan tot gevolg, dat Ranamanggala van zijn heffingen afstand moest doen, als hij den invoer van die waren voor Bantam wilde behouden.

Somtijds leek het, alsof een oorlog tuschen den Suzerein en zijn leenman, door de toenemende jaloezie op uitbreken stond. Toch kwam het nooit zoo ver. Eenmaal was het een teeken des hemels, dat de Bantammers, naar zij meenden, aanmaande geen strijd tegen Djacatra te beginnen. In Augustus 1616 n.1., toen de toestand uiterst gespannen stond, spleet een bliksemflits de Bantamsche moskee in tweeën en werd de kadi haast gedood. Men zag toen van de voorgenomen vijandelijkheden tegen Djacatra af. Later in 1617, was het vrees voor den Matarammer, die volgens het (overigens onjuiste) gerucht op West-Java af kwam welke Widjaja naar zijn vorst heen dreef, om de vriendschap te herstellen. En al bleef toen het wantrouwen wel bestaan — beiden zouden elkander te zeer als bondgenooten behoeven, indien zij inderdaad tegen Mataram front moesten maken. Van onderlingen oorlog was sindsdien geen sprake meer.

Coen zag met leedwezen dezen gang van zaken aan, daar Ranamanggala het den Hollanders steeds lastiger maakte. De rijksbestierder bleef nog altijd het bewind alléén voeren, want al was de koning op twee en twintig

Sluiten