Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jarigen leeftijd een schoon, volwassen man en vader van zeven kinderen, verstand bezat hij niet, zoodat hij geheel van zijn rijksbestierder afhing. En deze hield hem zeer kort. Voor het onderhoud van zichzelf en zijn ganschehof ontving hij ongeveer tien gulden per dag, waarmee hij volstrekt niet toekwam. Zijn vrouwen moesten daarom eiken dag batiken en haar voortbrengselen verkoopen, om hem in de huishoudkosten bij te staan. Tegenover zijn broeders, den verderen adel en zijn bedienden was Ranamanggala niet minder karig, zoodat hij zeer gehaat was, maar ieder was zóó van vrees voor den krachtigen man vervuld, dat niemand het waagde zich tegen hem te verzetten. Zulk een man moest wel in conflict komen met den president van de Hollandsche' loge, daar hunne wenschen lijnrecht tegenover elkaar stonden en Coen een vooral niet minder sterke persoonlijkheid dan Ranamanggala was.

De mangkoeboemi wilde in zijn stad de Hollanders naar zijn hand kunnen zetten, Bantam en zich zeiven door hun geregelde afneming der producten en door hooge in- en uitvoerrechten van hen doen profiteeren, maar hun geen schijn van macht in de stad toestaan. Djacatra wenschte hij klein, onbelangrijk en gehoorzaam aan Bantam te houden. Coen daarentegen zou gaarne Bantam de wet voorschrijven en wel deze: alle andere volken met name de Engelschen, van den peperhandel uitsluiten, geen vestiging van andere Europeesche kooplieden in de stad toestaan; den prijs van de peper laag houden, daarvan geen uitvoerrecht eischen en van geen der door de Hollanders ingevoerde waren tol heffen.') Om Bantam handelbaar te maken bevorderde hij bovendien, zooals reeds gezegd is, zooveel mogelijk de opkomst van het concurreerende Djacatra. Het duurde dan ook niet lang of de beide tegenvoeters koesterden grooten haat tegen elkander. Dat Coen in 1618 2) tot G. G. benoemd werd, was voor Ranamanggala een groote slag, daar hij nu nog harder tegen den gevaarlijken man te kampen zou krijgen. Herhaaldelijk werden er op den G.G. dan ook moordaanslagen gepleegd, die evenwel geen succes hadden.

Ook de Engelschen hadden Coen's verheffing met spijt vernomen, daar deze geen moeite spaarde hen, de vooral in de Molukken zoo gevaarlijk geworden concurrenten, te benadeelen. Coen had wel, eens, in arren moede over het optreden van den rijksbestierder, het voornemen gekoesterd, Bantam geheel te verlaten en er geen peper meer te koopen, daar hij die ook uit Djambi betrekken kon, maar hij verwierp dit weer uit overweging, dat

1) Dat Coen Ranamanggala zeer goed begreep blijkt uit de volgende uitlating tot de bewindhebbers (zie De Jonge. Opkomst IV pag. 38): Gelijk de Heeren trachten een verzekerde plaats te bezetten, om niet van de genade van Indische prinsen af te hangen, maar zich buiten hun macht te stellen, zoo is de Pangeran er op uit om ons in bedwang te houden en zich van ons te verzekeren, want hij heeft de Hollanders niet graag van hier en is toch bang voor de macht der Compagnie.

2) D.w.z. bewindhebbers benoemden hem in 1617; het bericht bereikte Coen in 1618. Tevoren was hij in 1614 directeur-generaal van alle kantoren in Indië geworden.

Sluiten