Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te blijven hun een betere behandeling beloven en den peperinkoop weer open stellen. Toen Coen niet terstond van dit laatste verlof gebruik maakte, daalden de peperprijzen sterk. De komst van eenige Chineesche jonken, juist toen de G.G., volgens zijn zeggen, den handel weer wilde beginnen, gaf hem aanleiding tot zeer ongepast optreden. Door de komst der Chineezen waren de prijzen dadelijk gerezen en toen nu Coen zich tegen den ouden, lagen prijs wilde voorzien, kon hij niets krijgen. Hij verbood daarom den Chineezen peper in te laden, voordat de Hollanders hun inkoopen gedaan hadden, daar hij hun die anders op zee zou afnemen. Hoewel Bantam hierover zeer in beroering geraakte en de rijksbestierder Coen om zijn handelwijze verfoeide, durfde hij niets tegen den G.G. te doen en vier maanden lang bleven de zaken op een dood punt staan.

Deze kwesties hadden wederom het aangroeien van het Djacatraansche kantoor ten gevolge: in 1618 was er aan het bestaande een tweede steenen gebouw, Mauritius, toegevoegd, dat langs de rivier stond, rechtstandig op het huis Nassau en om welks bovenverdieping een galerij liep. Drie honderd menschen waren er binnen den pagger der Hollanders gevestigd, met daarenboven vier en twintig soldaten. Een hospitaal en een werf waren op het eiland Onrust onder bescherming van een batterij opgericht Toen nu Coen omstreeks dezen tijd (1618) den pangeran van Djacatra de stellige vraag deed, hem verlof te willen geven aan den mond der 'Til Sadane bij Ontong Java (dus niet te Djacatra zelf) een fort te bouwen, trok Widjaja Krama zich terug. Het verzoek werd te Bantam bekend en de ernstige waarschuwingen van Ranamanggala aan den pangeran, maakten dezen nu ook zelf bevreesd, dat hij den Hollanders te veel voet had gegeven.

Of Bantam reeds toen - in het midden van 1618 - het plan maakte om, met gelijktijdige overvleugeling van Djacatra, de Hollanders van hun vestiging aan de Tjiliwoeng te verdrijven, is niet zeker. ') Coen kreeg echter achterdocht, toen Ranamanggala plotseling den Hollanders groote vriendschap, den Engelschen vijandschap ging betoonen en hij was op zijn hoede In Augustus van dat jaar had er een voorval plaats, dat het wantrouwen van den G G deed toenemen. Een broeder van Ranamanggala, Pangeran Gabang, die eenigen tijd op Djacatraansch gebied aan het jagen was geweest, verzocht het huis der Hollanders te Djacatra eens te mogen bezien Na den dag bij Widjaja Krama in den kraton te hebben doorgebracht verscheen hij. 's avonds, toen het al donker was geworden, met vijf honderd man voor de poort der Hollandsche loge. Inderhaast liet Coen, voor een aanslag beducht, een vijftigtal soldaten met brandende lonten op de bovengalenj van

"TT^lke houding de pangeran van Djacatra precies heeft aangenomen, blijkt niet voldoende Er zijn slechts Hollandsche berichten over deze en de komende gebeurtenissen. Coen had de neiging om iedereen te verdenken. Het maakt den indruk, da Widjaja Krama dYen Coen een zwakke persoonlijkheid noemt, niet van harte aan het vnandge optreden, tegen de Hollanders deelnam, doch dat hij zich door de Bantammers en z.jn e.gen rijksgrooten op den gevaarlijken weg, die naar zijn verderf leidde, liet meesleepen.

Sluiten