Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den bouw van het fort te staken en toen de G.G. hem voorstelde, dat de Hollanders Djacatra zouden verlaten, ging hij daar niet op in. Met zijn versterkingen ging hij voort, zoodat aan verschillende zijden van het Hollandsche fort bolwerken en muren verrezen.

Bovendien uitten de Engelschen te Bantam allerlei bedreigingen tegen de daar nog verblijvende Hollanders en maakten zij zich door bedrog van een hunner schepen meester. De wetenschap, dat er uit Engeland een vloot naderde, maakte hen zoo boud. Met behulp der Djacatranen maakten zij ook op den westelijken oever der Tjiliwoeng, waar zij sinds 1615 een klein steenen huisje met eenige bamboewoningen bezaten, een schootvrijen wal. Coen, die als in een kooi opgesloten, met de heele wereld tegen zich zat,') zei den Engelschen aan, met die versterkingen, vlak bij het Hollandsche fort, op te houden en toen zij dit weigerden, namen de Hollanders den 23sten December (1618) hun vestiging stormenderhand in en slechtten den wal.2) Ook vernielden zij de Chineesche huizen ten zuiden van het fort. Bij het schieten op Djacatra en de uitvallen, die de Hollanders in de volgende dagen deden, verbruikten dezen één vierde van hun kruit, want daarvan bezaten zij slechts een geringen voorraad. .

Den 29sten December zagen de Hollanders elf Engelsche schepen naderen, die reeds een tijdlang op de Bantamsche ree gelegen hadden en die den 30sten dichterbij kwamen. In het fort nam men nu het besluit, dat Coen deze tegemoet zou gaan, al bezat hij maar zeven en nog wel rijkbeladen vaartuigen. In de sterkte bleven toen ongeveer drie honderd vijftig menschen — waarvan twee honderd vijftig weerbare mannen — achter, die van levensmiddelen goed voorzien waren, doch aan kruit groot gebrek hadden.

Nadat de Engelsche en de Hollandsche vloot eenige dagen met elkaar slaags waren geweest zonder dat een resultaat was bereikt, kregen de Engelschen er drie schepen bij. De toestand der Hollanders, wier aantal schepen met slechts één vermeerderd was, werd nu door het gebrek aan kruit uiterst hachelijk. Het kloekste besluit dat men nemen kon, werd nu genomen, hetgeen in deze omstandigheden niet „aanvallen en vechten" inhield, doch: „wegvaren naar Ambon, daar de verspreide Hollandsche scheepsmacht verzamelen en zoo snel mogelijk terugkeeren." Viel Coen n.1. nu weer de overmachtige Engelschen aan en raakte het kruit op, eer deze verslagen waren, dan werd het gansche bestaan der Compagnie in de waagschaal gesteld. In de eerste plaats zouden de groótendeels rijk bevrachte schepen den Engelschen vermoedelijk in handen vallen en dezen er ook in slagen de in den Archipel verspreide Neder-

1) Zoo drukte hij het zelf ongeveer uit. Zie De Jonge — Opkomst IV pag. LUI en

pag. LXXX1II. „ , u ,

2) Een groot verzuim was het, dat een batterij ten noorden van de Engelsche loge, door de Hollanders „Paap Jan's batterij" genoemd, niet werd opgeruimd, daar deze den mond der rivier en de noordzij van het fort bestreek. Latere aanvallen daarop mislukten en kostten veel menschenlevens. Met Paap (= priester) Jan werd vermoedelijk de broeder des Pangerans betiteld, die hadji was.

Sluiten