Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat de belegerden zich in de eerste weken nog zooveel mogelijk versterkt hadden, bood de Djacatraansche pangeran hun een accoord aan, hetwelk hierop neerkwam, dat er tot de terugkomst van den G.G. wapenstilstand zou zijn en dat het fort zoo lang in wezen zou mogen blijven. Ter meerdere beveiliging der Hollanders zouden de Engelschen en Djacatranen zich slechts op eenigen afstand van het fort mogen vestigen. Hiervoor zouden de Hollanders zes duizend realen in geld en stoffen betalen. Dit aanbod leek den Hollanders zeer aannemelijk, daar zij van beide artikelen rijk voorzien waren en 19 Januari 1619 sloten zij het contract dan ook af. Het schijnt, dat de Djacatraan toen nog te goeder trouw was, want hij was bang door het geschut der Hollanders schade te zullen lijden. Vermoedelijk door toedoen van de Engelschen liet hij zich daarop echter tot verraad overhalen. Toen n. 1. de som was uitbetaald, werd de commandant van het fort bij den pangeran genoodigd om den vrede met een gastmaal te bevestigen. Tegen Coen's raad in nam deze, Van den Broecke, dit aan, maar terstond werd hij buiten het fort met zijn zeven begeleiders gebonden en gevangen genomen. De Hollanders zagen in, dat zij bedrogen waren en gingen zich weer versterken. De Engelschen sloten nu, tegen betaling van twee duizend realen een verbond met den pangeran, dat de Hollanders van den handel te Djacatra uitsloot. Gezamenlijk zouden zij verder het fort veroveren, dat aan Widjaja Krama zou komen, en de buit zouden zij onderling verdeelenNu kregen de Engelschen van den koning verlof een nieuwe batterij op de plaats hunner verwoeste loge op te richten en daar geschut op te stellen, dat in een oogwenk het fort zou kunnen plat schieten. Ook werden er acht van hun kanonnen op de „Paap Jans batterij" aan zee, en vier ten zuiden van het fort geplaatst. Een brug werd bovendien over de Tjiliwoeng geslagen en een groote stormaanval scheen op til, doch eerst lieten Engelschen en Djacatranen het fort nog opeischen. De overmacht was zóó overweldigend, dat tegenstand dwaasheid zou zijn en de Hollanders besloten te beproeven zoo voordeelig mogelijke voorwaarden te bedingen. Men kwam op 1 Februari overeen, dat de belegerden zich zouden overgeven aan de Engelschen, aan wie zij ook het fort en de amunitie zouden overleveren. Met hun particuliere bezittingen en'benoodigdheden voor de reis zouden de Hollanders door Engelsche schepen naar de kust van Coromandel gevoerd worden. De koning van Djacatra zou het geld, de koopwaar en verdere Compagnie's goederen ontvangen en van zijn kant de Hollandeche gevangenen vrij laten. Twaalf Hollanders zouden, als gijzelaarster eenige Engelschen en Djacatranen, die alles in het fort zouden komen opnemen, vooruit naar de schepen gaan. De' weg daarheen zou worden afgezet door Engelsche soldaten om de uittrekkende Hollanders tegen eiken aanval van Javaansche zijde te beschermen. Toen men op het punt stond aan deze afspraken uitvoering te geven, kwam er iets tusschenbeide. De Engelschen hadden zich gehaast om, met den handelbaren Widjaja Krama samenwerkend, de zaken zoo voordeelig mogelijk te regelen en voor zich zelve het bezit

Sluiten