Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou hij voor Bantam verschijnen, om Van den Broecke met de zijnen en eenige Hollanders, die voortdurend in de loge te Bantam gebleven waren, af te halen.

De tijding veroorzaakte groote verslagenheid bij de inwoners, daar zij niet anders verwachtten dan dat nu de verwoesting van hun stad op handen was. Van alle kanten ontbood men volk en dag en nacht werd er koortsachtig aan de versterkingen gewerkt. Het Chineesche kwartier, westelijk van de stad, werd afgebroken. Toen den 7den Juni een groote Hollandsche vloot voor de stad verscheen, wachtte deze den aanval, af. Op de vlucht gaan, zooajs de Djacatranen, zouden de Bantammers niet. Moesten zij de plaats toch verlaten, dan zouden zij, dreigde Ranamanggala, alle peperboomen omhakken en den Nederlanders hun overwinning op die wijze nutteloos maken.

Coen echter vroeg alleen om de Hollanders, die de mangkoeboemi niet wilde uitleveren, voordat hij zekerheid had, dat niets tegen de stad zou worden ondernomen. Toe hij hierop een barsch antwoord ontving: uitlevering binnen de vier en twintig uur, anders moest Ranamanggala

wel toegeven en ongeveer honderd Hollanders werden aan boord gebracht.

De schepen bleven nog eenige dagen voor de beangste stad liggen en de vorst bood toen vrede, vriendschap en handel als vroeger aan. Daar de Bantamsche regeering echter een ieder verbood met de Hollanders te spreken, dan in tegenwoordigheid van bepaalde personen, liep dit aanbod op niets uit. Veranderde de koning deze maatregel niet en liet hij de Hollanders niet vrij hun handel uitoefenen den zouden zij, naar ze lieten meedeelen, niemand toestaan naar of uit Bantam te varen. Vier schepen bleven op de ree liggen om deze bedreiging tot werkelijkheid te maken. De. Engelschen waren reeds eerder met bijna al hun volk en de meeste goederen uit hun loge vertrokken.

Op deze wijze verwierf Coen voet en heerschappij op Java en legde hij den grondslag van het zoo lang gewenschte rendez-vous. Dat de inneming van Djacatra grooten indruk in den geheelen Archipel maakte en de roep der Nederlandsche macht er zeer door vooruitging is wel zeker. Stellig zullen de bewoners van Indiƫ de profetie, die volgens Coen,') van ouds in het Oosten verspreid was, dat er n.1. een vreemde natie komen zou, wit van kleur, geheel gekleed tot handen en voeten toe, met katoogen en een grooten neus, die varkensvleesch at en Java, de Molukken, Ambon, Banda, Solor zelfs China zou veroveren, meer en meer op de Hollanders toegepast hebben. Portugeezen en Spanjaarden werden in de Molukken machteloos gemaakt; de Engelschen hadden een grooten klap gekregen, de Hollanders namen onder de Westerlingen in het Oosten, nu verreweg de eerste plaats in.

i) Coen aan Bewindhebbers, in een brief van 13 Januari 1619. (De Jonge. Opkomst enz. IV pag. 134).

Sluiten