Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan een hunner iets, dan liep deze zóó hard om dat bevel uit te voeren, dat hij bijkans buiten adem raakte.

Het leven der edelen in de residentie was door de diensten ten hove zeer gebonden. Veel meer vrijheid genoten zij, wanneer ze als gouverneur een landstreek aan de kust te besturen kregen of eenig ander ambt buiten Karta uitoefenden. Volgens Coen deed elke gouverneur in zijn gebied wat hij wilde en regeerde hij naar eigen believen. Daar degeen, die den keizer het meest opbracht, het best bij dezen stond aangeschreven, legden zij er zich allen krachtig op toe, schatten te verzamelen. Voordat de Hollanders de vaart naar Malaka en Bantam (na 1619) belemmerden, trokken de strandgouverneurs vele inkomsten uit den handel. Toen deze op den duur sterk verminderden, beroofde de eene regent de onderzaten van den anderenen handhaafde hij zich op die manier in den gunst van den keizer en ofschoon het land vruchtbaar was en rijkelijk allerlei levensmiddelen leverde kon het volk zich door de begeerigheid en prachtlievendheid hunner bestuurders ') niet voldoende voeden.

Was de adel aan den keizer onderworpen, nog meer gold dit, zooals van zelf spreekt, voor den gewone^ man. Hij was, doordat het land zeer dicht bevolkt was, in het geheel niet in tel en had vele plichten, doch geen rechten. De positie der bevolking schijnt verschillend te zijn geweest. Zoo waren de bewoners van Pekalongan en omstreken alle „slaven" (volgens den Hollandschen dokter de Haen) van den hen besturenden regent, die aan den vorst vier duizend realen (ƒ9000.—)'s jaarsin rijst en klapperolie moest opbrengen. In oorlogstijd moesten zij gezamenlijk opkomen, doch zij ontvingen dan geen soldij. Meer zuidwaarts in het gebergte van diezelfde streek woonden vrije mannen, die geen krijgsdienst hoefden te verrichten, doch wel een jaarlijksche belasting in klapperolie of geld opbrachten. Anderen wederom, ook vrijen, moesten zoowel belasting betalen als in den oorlog dienen. Dit laatste was vermoedelijk de normale toestand.2) De wegen werden in heerendienst onderhouden, hetgeen ook het geval zal zijn geweest met de bruggen.3)

1) In dezen tijd waren bij de vrouwen der grooten nog karossen in gebruik, die prachtig opgemaakt waren en door karbouwen werden getrokken. Zie het journaal van Dr. de Haen van 1623 (De Jonge-Opkomst V pag. 32). Ook ontmoette deze gezant in 1622 de echtgenoote van een legeraanvoerder op een olifant onder een tentje gezeten, die op weg was naar haar „hofstede en rijstland".

2) Dr. F. de Haan. Priangan III pag. 196.

s) Al wordt dit niet uitdrukkelijk gemeld. De berichten over de economische toestanden zijn geheel onvoldoende; alleen de Hollandsche gezanten roeren dit onderwerp zoo nu en dan eens aan. De bruggen waren (1622) van het bekende model: van onderen balken,' waaroverheen een „deksel" van gevlochten bamboe lag. (zie De JongeOpkomst IV pag. 293). Heel veel werk zal er noch van wegen, noch van bruggen gemaakt zijn, vermoedt Dr. F. de Ha»n. Moest er een aanzienlijk man op reis, dan werden de wegen gauw „met alle hens" in orde gebracht.

Sluiten