Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Barsch en hard werd bij verzuim van een of ander hierbij tegen de bevolking opgetreden.')

Van tijd tot tijd werden er buitengewone algemeene heffingen gedaan; zoo werd in 1625 van eiken gehuwden Javaan ongeveer tien gulden, van eiken ongehuwde ongeveer vijf en een halven gulden geheven.3) De Madoereezen en Soerabajanen, toen pas onderworpen, hadden slechts een kwart reaal (±ƒ 0,50) op te brengen; de getrouwde Chineezen elk ongeveer vijftig gulden, de ongetrouwde veertig.

Men kon in dien tijd op Java met zeer weinig geld toekomen: te Djapara — waar het wel het goedkoopst was van alle plaatsen aan de kust — betaalden de vreemdelingen in 1613 11 lU cent voor een kip (d.w.z. twintig stuks voor een reaal sa ƒ 2,25), voor een bok ongeveer zestig cent. Van éérste kwaliteit rijst kon men er zich voorzien tegen ƒ 36.—, soms ƒ 27.— de 30 H. L. (= een last) terwijl men te Djacatra voor diezelfde hoeveelheid 90 a ƒ 112'/2 betaalde en in de Molukken, waar geen rijst groeide, 225 a ƒ270.— 3) Het spreekt dan ook vanzelf, dat vanuit ,,'s keizers rijstthresoor" (Djapara) reusachtige hoeveelheden — ettelijke honderden jonken jaarlijks—werden uitgevoerd naar andere plaatsen op Java, naar Malaka, Ambon, Banda enz. Uit de rijst vooral trok de keizer ook zijn inkomsten, m. a. w. er bestonden, gelijk reeds in - den Hindoetijd, uitvoerrechten op: de kooper-uitvoerder betaalde daarvan 10 %, de verkooper 2 a 3 °/o van de waarde. Ook van zout, olie, suiker, uien en knoflook en van katoenen garens werden uitvoerrechten geheven. De voornaamste artikelen, waarop invoerrechten stonden, waren de katoentjes uit Coromandel, Cambay en Goedjarat; verder waren de tollen op ingevoerd peper, rotan, was en tin van veel beteekenis voor de schatkist.

De waren van buiten den Archipel werden door vreemdelingen aangevoerd; de scheepvaart der Javanen zelve schijnt reeds in deze tijden sterk

J) Zie De Jonge IV pag. 292. Het vervoer van vrachten, aan aanzienlijken toev behoorend, geschiedde waarschijnlijk ook kosteloos door de bevolking.

2) Een getrouwd man werd dus — terecht — als economisch sterker beschouwd dan een ongetrouwde. Zie Dr. F. de Haan. Priangan III pag. 196.

3) Een ander bericht — van 1615 —spreekt van ƒ 11,25, ƒ 13,50, ƒ 15,75 en ƒ 18.— het last, te Djapara en van ƒ 90.— tot ƒ 100.— op Ambon, Banka en Ceram. Prijzen van andere waren te Djapara, in 1614, 1615 ,zijn: 1 last boonen ƒ 24,75. 8 flapkannen olie ƒ 2,25 (de inhoud van een kan was vermoedelijk 1 Liter of meer).

100 planken ± drie en dertig realen; deze waren even lang en breed als te Bantam, waar ze 58 realen kostten.

1 os. ± ƒ 10.— (4 a 5 realen).

1 pikol was (= 125 pond) ± ƒ 40.—.

15 bossen rottan ƒ 2,25. Djambische peper ± ƒ 6,75 de picol, terwijl men te Bantam voor mindere qualiteit ± ƒ 12.— de picol gaf (waar de tol inbegrepen was, die in Djapara niet bestond).

In 1624, toen er rijstgebrek heerschte, moesten de Hollanders te Djapara en andere kustplaatsen 70 a 110 gulden het last betalen, met bovendien een som aan eenige grooten, als omkoopgeld, daar er eigenlijk uitvoerverbod op rijst bestond.

Sluiten