Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven vooral over Agoeng's krijgsbedrijven inlichtingen, welke gedeeltelijk gecontroleerd kunnen worden door de brieven van de gouverneurs-generaal aan de bewindhebbers in Holland. De Compagnie had, vooral na haar vestiging op West-Java in 1619, met den keizer van Mataram duchtig rekening te houden, want deze koesterde vérstrekkende plannen.

Agoeng 's streven was n. 1. de kroon op het werk van zijn voorvaderen Senapati en Mas Djolang te zetten, door geheel Java voor goed aan Mataram te onderwerpen. In de eerste plaats bracht dit levensdoel hem de voortzetting van den oorlog met de „bangwetan" (en met Madoera), onder leiding van Soerabaja, waarmee de strijd bij Mas Djolang's dood nog in vollen gang was en dat nog jaren lang hardnekkig zijn onafhankelijkheid tegenover Mataram trachtte te verdedigen. De tweede tegenstander werd de Compagnie, nadat deze zich met de verovering van Djacatra een eigen gebied — al was het nog zeer klein — op Java had verworven. Ag' „ probeerde Bantam door overreding tot leenman te krijgen; dit mislukte, m tegenstelling met Cheribon, dat in 1619 reeds erkende aan Mataran onderhoorig te zijn.

In Oost-Java bereikte Agoeng hetgeen hij wenschte, doordat er in het verbond, dat zijn tegenstanders aldaar in 1615 tezamen sloten, geen voldoende eenheid en kracht zat. Veel kostbare tijd werd er bij de bondgenooten met praten en beraadslagen verdaan en tot dadèn van aanval kwamen zij bijna niet. Daardoor gelukte het den panembahan zijn vijanden achtereenvolgens meester te worden en, al beleefde hij wel eens hachelijke oogenblikken, ') geheel Oost-Java en Madoera te onderwerpen.

Loemadjang, Reno en Malang veroverde hij het eerst; Pati, Padjang (N. W. Soerakarta), Kalinjamat (de oude residentie der vorsten van Djapara) en Trajem 2) volgden kort daarna. De machthebbers in deze streken werden bijna alle door den Matarammer in hun gebied gelaten en behielden er een deel der inkomsten van, doch natuurlijk moesten zij het oppergezag van den panembahan erkennen. Bevreesd voor de successen van het gehate Mataram sloten nu Soerabaja, Pasoeroean, Toeban, Wirosono (=Modjoagoeng), Djapan (= Modjokerto), Lasem, Brondong, Arosbaja en Soemenep (de twee laatste op Madoera) zich in 1615 aaneen, doch nog in datzelfde jaar leden zij een nederlaag, ofschoon Agoeng toen meer dooden verloor dan zij. Bij een tweede poging bleken er zoo weinig voorbereidingen voor den veldtocht getroffen te zijn, dat de troepen der verbondenen hongersnood leden en -uitgeput en ziek wederom het onderspit dolven. Agoeng nam Wirosobo na een korte belegering in, waarop hij den boepati, die ook reeds tegen Mas Djolang in verzet was gekomen, liet verdrinken. Om het verzet totaal te breken werd de bevolking onder een zoon van den gedooden regent

1) Zooals in het gevecht bij Kali Andaka in 1615, dat hij eerst verloor, doch ten slotte won.

2) Vroeger een belangrijke pleisterplaats in Zuid-Kedoe; Rouffaer-Album Kern pag. 269. Zij wordt ook door den gezant De Haen in zijn „Journaal" genoemd.

Sluiten