Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overgeplaatst naar Banjoemas, een maatregel, zooals die, naar reeds gezegd is, herhaaldelijk door den Mataramschen vorst werd getroffen.

De plaatsen in het binnenland zou Agoeng, op zulk een wijs voortgaande, spoedig in zijn macht hebben. Met( de kuststeden ging het bezwaarlijker, daar Mataram slechts vijf en dertig galeien en groote prauwen en weinig varensvolk bezat. Toeban had b. v. in dit opzicht een overmacht en zou zich bij een belegering dus steeds van de zeezijde van het noodige kunnen voorzien. Voorloopig vreesde deze plaats dan ook geen gevaar en ging zij, vereenigd met Arosbaja, voort, haar aanspraken op Bandjarmasin met geweld te laten gelden.

In 1616 veroverde Agoeng echter Lasem en versloeg hij zijn vereenigde tegenstanders in een veldslag, die grooten indruk maakte en zelfs in WestJava de vrees veroorzaakte, dat, na de ophanden zijnde onderwerping in het Oosten, de Mntarammer zijn aanval spoedig op Bantam en Djacatra zou richten. Wij zagen reeds, dat er daar telkens geruchten liepen, dat de panembahan kwam optrekken, zoodat Bantam en Djacatra'zich — het was in 1617 — daarom weer eenigszins aaneensloten. Den Hollanders zou de komst en de overwinning van den Matarammer niet onwelgevallig zijn, daar zij toen nog op goeden voet met Agoeng stonden en stellig hoopten een vaste plaats voor den handel en' een betere positie, dan zij tot dusver hadden, van hem te verwerven.

In 1613 waren de Hollanders reeds in verbinding met Mataram getreden. Zij hadden tot op dien tijd in het onder Soerabaja staande Gresik een kantoor, dat, zooals gezegd is, weinig winst afwierp en toen zij van vele gouverneurs der Mataramsche stranddistricten dringende aanbiedingen kregen, om een kantoor in hun gebied te vestigen, — waartoe de panembahan (destijds nog Mas Djolang) hun opdracht had gegeven — koos de Compagnie Djapara uit, wegens zijn vermaarde goedkoopte en overvloed van levensmiddelen. Mas Djolang had ook den wensch te kennen gegeven om zelf eens met de Hollanders kennis te maken, doch hij stierf nog in hetzelfde jaar 1613. In 1614 zond de Compagnie nu een gezantschap naar den nieuwen machthebber, om hem in naam van de regeering in de Nederlanden (zooals de leider, Caspar van Zurck, zeide) en van de Oost-Indische Compagnie met zijn troonsbestijging geluk te wenschen. De Javanen, die de Hollanders op hun reis passeerden, hadden nog nooit „witten" gezien, zoodat zij zeer verbaasd en verschrikt bij hun aanschouwing werden. De gezanten werden sterk getroffen door den overvloed van rijst, boonen en andere voedingsgewassen en de grootte en bevolktheid van de steden in de streken, die zij doorkwamen. Na zes dagen van Djapara af zuidwaarts te zijn gereisd bereikten zij Karta, waar de panembahan hen zeer eervol ontving. Het moest den vorst wel aangenaam zijn van een vreemde natie hulde en geschenken te ontvangen, daar dit, in de oogen zijner onderdanen, erkenning van het Mataramsch oppergezag in zich sloot. ') De panembahan

J) Indien Agoeng de troon overweldigd had, was het hem natuurlijk dubbel welkom.

H

Sluiten