Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verklaarde, dat elke vreemdeling vrij en ongehinderd, zonder tollen of andere lasten te betalen, in zijn land mocht komen, want hij was vorst en krijgsman, geen koopman, zooals alle andere koningen van Java. Den Hollanders gaf hij verlof te Djapara een versterkt steenen huis te bouwen, er op berekend om zich daarin tegen den vijand (d.w.z. een gemeenschappelijken van de Compagnie en Mataram), gedurende twee a drie dagen te kunnen verdedigen. Langer was niet noodig, want dan zou hij, Agoeng, reeds met een groote macht ter plaatse zijn, om hen te helpen. „Ik weet wel", voegde hij er bij, „dat gijlieden niet komt om het land van Java te veroveren. Gresik en Djaratan heb ik gewonnen, ') ik ga nu Soerabaja veroveren en ik zal, zoo de generaal het begeert, hem Djaratan schenken. Tegen die van Bantam heb ik geen oorlog, maar doen zij u overlast, neemt daarover dan wraak; veertiggoraps of galeien wil ik u tot assistentie geven". De Hollanders beloofden van hun kant den vorst te helpen, en zijn krijgsmacht ter zee geen kwaad te doen bij een ontmoeting. Daarenboven legdë hun leider de zonderling vérstrekkende belofte af, dat de de Compagnie den vorst niets zou weigeren.

Het bleek al spoedig, dat de royale toezeggingen betreffende een Hollandsch kantoor te Djapara voor Baoereksa, den regent van Kendal, die Djapara onder zijn bewind had, geen kracht bezaten. Als de Compagnie vrijdom genoot van in- en uitvoerrechten, dan trok hij niet het minste voordeel van haar aanwezigheid. Bij wijze van schadevergoeding vroeg hij nu eerst om eenige stukken geschut, om goud en diamanten en verder om betaling van het bouwmateriaal, dat gratis had moeten worden geleverd. Hij werkte voorts op alle manieren het optrekken van een gebouw tegen, waarom de Compagnie in 1615 besloot een nieuw gezantschap naar Mataram te zenden. Dit druischte geheel en al tegen de belangen van Baoereksa in, wiens bemiddeling (eeningszins zonderling) voor het bezoek werd ingeroepen en die hij dan ook weigerde. Wel eischte hij opnieuw geld en stukken geschut en maakte hij wederom aanmerking op de grootte van het begonnen kantoor, zoodat de Compagnie zich voorloopig met bamboehuizen moest behelpen.

Het daarop volgende jaar (1616) trachtte een nieuw gezantschap der Hollanders tot den vorst door te dringen, ditmaal niet alleen om Compagnie's positie te Djapara te verbeteren, doch ook om Agoeng in bedekte termen een verbond tegen Bantam voor te slaan. De gezanten zouden de vergunning trachten te verwerven om in die stad, zoodra zij veroverd was, vrij te mogen wonen en handelen. Daar de vorst van Mataram zeer op geschut gesteld bleek te zijn, moest hem het bezit van alle stukken, die zich te Bantam bevonden, voorgehouden worden, met daarenboven de twee a drie honderd duizend realen, die Bantam stellig op de vreemdelingen verdiend had. Doch ook deze poging was vergeefsch: verschillende regenten, (behalve die van Kendal), die de Compagnie hadden tegengewerkt en bevreesd

!) d.w.z. „heb ik al in bezit". De steden waren nog door Mas Djolang ingenomen. Het zou mogelijk zijn, dat zij opnieuw waren opgestaan en door Agoeng heroverd; ik vond dat echter niet vermeld.

Sluiten