Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als terugslag hierop liet Agoeng, wien niets onaangenamer kon zijn dan versterking van zijn harunekkigen tegenstander, den uitvoer van rijst uit Djapara verbieden, waarmee hij hoopte de Hollanders gevoelig te treffen en hun vrees aan te jagen. Bovendien werd het gerucht verspreid, dat een overweldigend groot leger van Matarammers tegen het (intusschen gereed gekomen) fort der Hollanders te Djacatra zou optrekken. De regent van Djapara zou ook de Hollanders te Gresik aangetast hebben, zoo een Nederlandsch schip dit niet juist bijtijds had verhinderd.

Dit alles had niet het gewenschte gevolg voor Agoeng, daar het uitvoerverbod niet streng werd toegepast door den regent zelf, die daar zelf groote schade bij. leed en een aanval op West-Java had voorloopig niet plaats.

De inneming van Djacatra door de Hollanders in Mei 1619 was een ander feit, dat volslagen in strijd met de belangen van Mataram was. Het maakte op gansch Java veel indruk en Agoeng was het een doorn in het oog, dat vreemdelingen zich meester maakten van een deel van het eiland, dat hij in zijn geheel voor zich opeischte. Wij zullen dan ook zien, dat de vorst van nu af aan met alle middelen trachtte de Hollanders óf tot erkenning van Mataram's oppergezag te bewegen — en dit, zooals van zelf spreekt op vriendschappelijke wijze — öf hen met geweld van Java te verdrijven.

Terwijl het verbod tot vervoer van rijst uit Djapara nog gold, liet Agoeng Coen tegelijkertijd vriendschappelijke aanbiedingen doen, door hem een geme.enschappelijken aanval op Bantam voor te stellen. Hadden de Hollanders dit vroeger gaarne gewild, met een onbetrouwbaar gebleken bondgenoot besloot Coen zulk een onderneming niet te wagen. Dit aanbod ■van den vorst werd gevolgd door de belofte, dat de panembahan de in 1618 gevangen Hollanders zonder losgeld zou vrij laten, mits de Compagnie wederom een gezantschap naar Karta zond. Hierdoor zou het, althans in de oogen der wereld, schijnen dat de Hollanders zich onder Mataram hadden gesteld. Hoezeer Agoeng op dit laatste gesteld was, bleek toen een schip van de Compagnie in hetzelfde jaar 1620 een brief van den panembahan aan den Portugeeschen gouverneur te Malaka onderschepte, waarin de vorst, geheel in strijd met de feiten, beweerde, dat de Hollanders zich door hun vestiging te Djacatra tot onderzaten van Mataram hadden gemaakt. De brief was echter een aansporing om deze onderdanen van Java te helpen verdrij-"' ven, daar de Hollanders den rijsttoevoer naar Malaka zouden afsnijden en de Portugeezen verder nog grooten last van hen konden krijgen. .

Toen de Hollanders het jaar daarop (1621) Agoeng weder in zijn plannen dwarsboomden — zij steunden den vorst van Soerabaja met schepen bij Gresik en belemmerden ten zeerste de vaart op Malaka van de Javanen — besloot hij te probeeren wat hij met eenige tegemoetkoming kon bereiken en zond zes der Nederlandsche gevangenen zonder losgeld naar Batavia terugEen andere overweging dreef den vorst in dezelfde richting. Hij zag voorloopig geen kans de vestiging der Hollanders in te nemen en achtte het daarom Het beste eerst te trachten het andere, in West-Java nog

Sluiten