Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omdat hij bang was, dat de Bantammers dan de peperranken zouden vernielen; daar wist hij dan wel goeden raad op: hij zou die door zijn Javanen weer in orde laten brengen. Tegal, Kendal, Demak en Djapara stonden, volgens den keizer, den Hollanders open voor den inkoop van levensmiddelen. De koning van Bantam, zoo deelde Agoeng mede, had hulp beloofd aan Soerabaja tegen hem, Pangeran Ingalaga van Mataram, doch zoodra Soerabaja gevallen was, zou hij den vermetele daarvoor komen straffen. In dat geval zouden de Hollanders -met hun schepen op de ree het Bantamsch geschut het zwijgen kunnen opleggen. Ook voor Bandjarmasin, dat hij wilde nemen, vroeg Agoeng een paar schepen van de Compagnie tot hulp. Wat Soerabaja aanging, dat hoopte hij binnenkort weer te belegeren en . . . te veroveren. Deden de inwoners een uitval, dan zouden zij door zijn overmacht worden afgewacht. Bracht hem dat nog niet de^verwinning, dan zou hij een kasteel laten bouwen en daarin voortdurend bezetting houden, desnoods langer dan een jaar en al het land rondom de stad zou hij doen verwoesten, zoodat de Soerabajanen zich door hongersnood wel zouden moeten overgeven. Ofschoon dé panembahan, zeide hij, niet toeliet noch ooit toegelaten had, dat eenig vreemdeling den • kraton betrad, gaf hij den Hollanders verlof, zoo vaak ze wilden, binnen te komen. Jaren geleden, ten tijde van zijn vader, was er wel eens een Italiaan in Mataram geweest, maar deze was niet binnen het hof toegelaten en had op 's vorsten buitenverblijf Krapjak moeten vertoeven.

Als geschenk voor „Generaal" Cöen gaf de Panembahan Dr. de Haen een kris, die hij zelve droeg, met de hoffelijke woorden, dat deze van geen waarde was, vergeleken bij hetgeen hij van den G. G. had ontvangen, doch volgens Javaansche opvatting was dat het hoogste en beste, dat men iemand schenken kon. Aan de kris werd nog een geweer, erfstuk van 's vorsten vader, toegevoegd. Agoeng gaf bovendien nog den wensch tot aankoop van o.a. eenige paarden te kennen, die hij gaarne door bemiddeling van de Compagnie — welke hij dus duidelijk als een vereeniging van handelaars beschouwde — zou ontvangen.

De Compagnie besloot hierop wel de goede verstandhouding met den Matarammer te handhaven door hem nog eens een gezantschap met eenige dingen, die hij „besteld" had, te zenden, doch op het plan tot gezamenlijke verovering van Bantam niet in te gaan. Daar men in het steeds aangroeiend Batavia groote behoefte aan rijst had en de toevoer daarvan uit Djapara veel te wenschen liet, ondanks de vriendschappelijke betrekkingen met den keizer, werd reeds in 1623 Dr. de Haen, die zich van zijn eerste zending zoo goed gekweten had,' opnieuw naar Mataram gezonden.

De ontvangst was wederom uitstekend; daar de panembahan nog steeds de hoop koesterde, de Hollanders voor zijn veroveringsplannen te kunnen gebruiken. Hij waarschuwde den gezant voor Bantam, dat, naar hij zeide,

Sluiten