Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de Portugeezen een aanslag op Batavia voorbereidde ') en hij beloofde verder, dat de rijst voortaan in de eerste plaats naar zijn „vrienden en bondgenooten" te Batavia gevoerd zou worden.

Veel uitwerking had deze belofte over de rijst niet: Batavia ontving zulke onvoldoende hoeveelheden, dat zells hongersnood de stad bedreigde. Ditmaal was het niet aan onwil doch aan den oorlogstoestand op Java en aan misoogst te wijten, doch de Compagnie wilde noodgedwongen toch een poging doen om meer voedsel voor Batavia te verkrijgen en ondanks het bezwaar, dat zij nu sinds drfe jaar telkens een gezantschap naar Mataram had gestuurd — wat daar ongetwijfeld den indruk van erkenning van vazaliteit wekte — zond zij in 1624 wederom eenige gezanten naar Agoeng af. Het doel — de aanvraag om rijst — werd echter met dezen schoonen schijn bedekt, dat de zending geschiedde om den vorst met zijn verovering van Madoera (1624) geluk te wenschen. Eenige Javaansche grooten poogden in den voor den keizer bestemden brief, ook de erkenning van Mataram's oppergezag door de Hollanders te laten binnensluipen, door de beginwoorden, welke zij niet complimenteus genoeg achtten, te veranderen in: „De slaaf van Z.M. zendt met zijn slaven dit geschenk". Hiertegen verzette de leider (Vos) zich krachtig, zeggende, dat de G.G. geen slaaf of dienaar van den keizer was, maar een goede vriend en dat hij niemand anders dan God en den „koning" van Holland (Vos bedoelde daarmee Prins Maurits) onderdanig was. 2)

Na de gebruikelijke beleefdheden en het overdragen der geschenken, verzocht de Soesoehoenan 3) dat de Hollanders geen hulp zouden brengen aan Soerabaja, dat zijn vijand was. De producten vandaar konden zij immers even goed en goedkooper in zijn havens krijgen, een toezegging, waarvan de gezant terstond gebruik maakte om te vragen, hoe het dan kwam, dat Djapara voor hen gesloten was. De vorst zeide hiervan niets te weten en beloofde er orde op te stellen. Later liet Agoeng door eenige zijner grooten den Hollanders verzoeken een schip te zenden om de haven van Soerabaja af te sluiten. Zijn belegering aan de landzij alleen trof n.1. weinig doel en zelf had de vorst geen voldoende scheepsmacht om den toevoer van over zee

x) Later liet de vorst den regent van Kendal, Baoereksa, te Batavia vragen, of de Compie, zoo Mataram 10.000 man over zee naar Bantam zond, genegen zou zijn, schepen voor de levensmiddelen e.d. te laten volgen. Ook zou het noodig zijn, dat de Hollanders Bantam met schepen van de zee afsloten. Hij beloofde verder, dat na de verovering der stad de peper alleen aan de Hollanders zou verkocht' worden. Dit voorstel werd niet vlakweg afgeslagen, doch slechts in vage termen beantwoord.

2) Zoo had ook een Toemenggoeng in 1622 aan Dr. de Haen aangeraden, om, indien de keizer den gezant wat hard toesprak over dingen die gebeurd waren, te zeggen, dat alles onder den kiezer stond, zoowel de Hollanders als de Engelschen. Dr. de Haen antwoordde, dat hij op dat punt wel doen zou wat hem goed dacht en den last van den O. G. zou volgen. (De Jonge-Opkomst IV pag. 297).

3) Zoo noemde Agoeng zich na de verovering van Madoera, vermoedelijk om aan de verhevenheid zijner positie boven Bantam uitdrukking te geven (Dr. Hoesein Djajadiningrat. Crit, Besch. pag. 178).

Sluiten