Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De pogingen die daarop in het werk gesteld werden, faalden echter. Bantam was niet bereid zijn onafhankelijkheid zonder slag of stoot prijs te geven en achtte zich tegen aanslagen van Mataram betrekkelijk veilig. Reeds eerder schijnt dit rijk meermalen geprobeerd te hebben van de landzijde Bantam aan te vallen,') doch de troepen konden zich vermoedelijk door de wildernis en over de woeste bergen geen weg banen. De hoofdweg — over zee — leidde langs Batavia, dat niet licht groote troepenmassa's in zijn buurt zou toelaten en waarschijnlijk zou de geringe scheepsmacht van Mataram toch niet in staat zijn'Bantam aan de zeezijde af te sluiten of de stad te beschieten.

In het begin van 1626 nu zochten de, toemenggoengs van Kendal en Tegal de Hollanders aan om met hun schepen tot den val van Bantam mee te werken, volgens het plan, dat Agoeng reeds lang in zich omdroeg. Om dezelfde redenen als vroeger, wilde men dat te Batavia niet en het voorstel werd afgewezen. Het loon dat de soesoehoenan ditmaal liet aanbieden was bovendien zeer schraal: hij zou het recht van de Hollanders op Batavia erkennen.

In Palembang, Bantam' s ouden vijand, vond Agoeng daarentegen wel een bondgenoot. Het bood zelve aan, tezamen met Mataram de stad aan te vallen. Daar juist tezelfder tijd het gerucht liep, dat Batavia reeds voor den soesoehoenan had moeten bukken, is het niet onmogelijk, dat het aanvalsplan ook tegen deze stad gericht was.

Voorloopig werd Agoeng echter gedwongen de uitvoering van zijn plannen eenigen tijd uit te stellen; hongersnood, door rijstgebrek ontstaan, maakte een krijgstocht onmogelijk. Batavia kreeg door dezelfde oorzaak bijna geen toevoer uit Djapara en besloot weder in 1626 een gezantschap naar Mataram te zenden om te pogen daarin verbetering te krijgen. Het is niet te verwonderen, dat Agoeng, wiens hoofdplaats in dezen tijd wel een legerkamp moet geleken hebben, niet genegen was dit aan de Hollanders te toonert. Reeds in Tegal werden zij onder allerlei voorwendsels tegengehouden en niet verder in het land toegelaten.

Toen na den nieuwen oogst de toestand was verbeterd, werd alle rijst die in het rijk verkrijgbaar was voor de op de been gebrachte troepen opgezameld, doch wederom was uitstel van den tocht noodig door een gevaarlijken opstand onder leiding van Pragola, den regent van Pati, welke eerst gedempt diende te worden. Zóó dapper bood de adipati tegenstand, dat er in 1654 nog liedjes over dezen strijd door de Javanen werden gezongen. Het baatte den regent niet: zijn stad werd — 1627 — ingenomen en de muren werden geslecht. De vorst zelf werd, na diepe vernedering, gedood en zijn gansche geslacht uitgeroeid. Zijn gebied werd onder het onmiddellijk bestuur van een gouverneur des keizers gesteld.

J) De berichten hierover zijn slechts vaag.

Sluiten