Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het meerendeel der uitkomende Nederlanders bestond dan ook voorloopig uit ongetrouwde jongelieden, die door ondernemingslust gedreven werden of die in het vaderland wat op hun kerfstok hadden en den rechter wilden ontloopen.

Ten zeerste moedigde Coen de komst van Chineezen aan, zoowel om met hen den voordeeligen handel met China en andere ver gelegen streken naar de stad te trekken, als om er ambachtslieden, broodbakkers, kleinhandelaars en landbouwers door gevestigd te krijgen. Inderdaad verhuisden vele Chineezen, door de hooge loonen aangelokt, van Bantam — waar de rijst door de blokkade der Hollanders zeer duur werd — naar Batavia, ofschoon de mangkoeboemi er strenge maatregelen tegen nam. Ook uit Cheribon en Djapara kwamen er naar de nieuwe stad over. Coen legde hun in het begin geen zware lasten op en liet ze veel vrijheid van beweging, om hun landgenooten aan te moedigen zich ook in zijn stichting te vestigen. In 1619 woonden er dan ook reeds drie a vier honderd Chineezen, een aantal, dat in 1620 tot meer dan acht honderd was gestegen en dat met eenige schommelingen binnen tien jaar tot twee duizend aangroeide.') Ijverig werkten zij mee aan de versterking der stad en zij waren het ook, die het eerst het aanplanten van rijst en suiker binnen en buiten de stad ondernamen. Reeds in het eerste jaar stelde Coen een der hunnen, Bing Kong genaamd, als overste (later: kapitein) over hen aan. Deze werd in 1620, toen een college van schepenen ingesteld werd, door den G. G. ook tot lid daarvan, speciaal voor zaken van Chineezen 2), benoemd.

Verder vond men er Maleiers en Klingen, Makasaren, Amboneezen» Boegineezen, Baliërs, Boetonners, Bandaneezen, Pampangers, Balambangers, Japanners en later nog Matarammers, Preangers en Bantammers die zich in verschil van kleeding onderscheidden en in afzonderlijke kampongs, onder eigen hoofden gesteld werden. De laatsten maakten kleine zaken en erfrechtkwesties van hun onderhebbenden uit,3) en genoten van de Hollandsche regeering wel wat al te veel vrijheid.

Vreemdelingen, die Coen zeer tot zijn spijt moest toelaten waren de Engelschen. De bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie hadden n.1. in 1619 om politieke redenen met de Engelsche Oost-Indische Maatschappij een tractaat van vrede en vriendschap gesloten, dat de Engelschen, die in het Oosten in alle opzichten bij de Hollanders achter stonden, groote voordeden bezorgde, daar zij voortaan met hen op voet van gelijkheid zouden staan. Een Raad van Defensie, zetelend te Batavia, zou voor de eene helft uit Hollanders, voor de andere uit Engelschen bestaan. Voor Coen, dié steeds

*). De langzamerhand zeer hoog loopende lasten, waaraan zij gaandeweg onderworpen werden, schrikten echter vele Chineezen van vestiging te Batavia af.

2) Later kreeg hij nog een landgenoot in dat college naast zich; na 1666 hadden geen Chineezen er meer zitting in. Zie over Bencon: B. Hoetink: „So Bing Kong" in bijdragen van het Kon. Inst. deel 73.

3) Dr. F. de Haan. Priangan I, blz. 4.

Sluiten