Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat het aantal inwoners van Batavia in den eersten tijd betreft: na één jaar was het zielental reeds tot twee duizend aangegroeid en vijf jaar na haar stichting beliep dit reeds zes en een half duizend, de Engelschen en-eenige andere vreemdelingen niet medegerekend. Dit aantal nam toen de eerstvolgende jaren niet zoo sterk toe. Ontzettende regens hadden n.1. de Tjiliwoeng buiten haar oevers doen. treden en het heele land onder water gezet, zoodat men de bosschen en het hooge land met booten bevoer. In den Oostmoesson was het dóór blijven regenen, waardoor het land niet had kunnen opdrogen en de aanhoudende vochtigheid een slechte uitwerking op den gezondheidstoestand had. Ook had Batavia in 1625 — ofschoon niet in zoo hooge mate als andere steden — te lijden van de epidemie, die geheel Java toen teisterde.

De voedselvoorziening voor deze, toch steeds aangroeiende bevolking was een zaak van groot gewicht, te meer daar er in den omtrek der stad voorloopig nog zoo goed als niets verbouwd werd. Het voornaamste artikel, de rijst, betrok het bestuur bij voorkeur — zooals wij weten — uit Djapara, dat ook andere levensbehoeften leverde. Wij hebben gezien, dat de Compagnie zich vele bezendingen naar den vorst van Mataram getroostte, voornamelijk om zich den onbelemmerden uitvoer uit diens haven te verzekeren. Doch de politiek van Agoeng, de handelwijzen der te Djapara gevestigde Hollanders en het eigenmachtig optreden van den regent Baoereksa veroorzaakten herhaaldelijk, dat de uitvoer er verboden werd en om hongersnood te voorkomen moest dan tijdig rijst van Soeratte (W. kust van Voor-Indië) van Coromandel, Aracan, Siam, Japan en Patani (O. kust van Malaka) gehaald worden. Toch veroorzaakte het onverwachtsche van het uitvoerverbod in de eerste jaren meermalen, dat het met de voeding te Batavia zeer sober gesteld was. Al deze belemmeringen waren dan ook een aansporing om in het eigen gebied de aanplanting van voedingsgewassen krachtig te bevorderen: veertig Chineezen begonnen in 1624 op voordeelige voorwaarden de aanplant van padi, die ook door slaven van de Compagnie werd verbouwd, en twaalf duizend klappers stonden reeds in 1626 aan weerszijden van de Tjiliwoeng. Zoo had de poging van den soesoehoenan om met zijn maatregelen Batavia naar zijn hand te zetten het niet bedoelde gevolg, dat de stad steeds onafhankelijker van hem werd, en op gelijke wijze veroorzaakten de geruchten van zijn dreigende nadering, die de Hollanders moesten intimideeren, dat Batavia meer en meer versterkt en ten slotte voor zijn troepen onneembaar werd. In 1627 leek dit echter nog niet het geval te zijn, want het fort was toen aan den zeekant nog zeer zwak, omdat aan die zijde tusschen de bolwerken, welke zelve ook lager en zwakker waren dan die op de landhoeken, slechts een palissade, geen aarden wal, was gemaakt. Het plan bestond wel, om aan die noordzij binnen het fort een groot steenen huis met twee verdiepingen en een plat dak te maken, doch tot uitvoering wa£ dit nog niet gekomen.

De handelsomzet nam wel elk jaar toe doch het telkens afsluiten van Djapara had ook daarop toch een slechte uitwerking. In 1619 deelde

Sluiten