Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

justitie (die uitermate streng was) ook te waken voor het schoon houden van straten en stegen en het in acht nemen der rooilijn, in verband waarmee zij keuren mochten maken. Een geregelde gang van zaken in de stad werd met behulp der stadhuisklok gewaarborgd: om vijf uur of half zes des ochtends werd daarmede het sein gegeven, dat de ambachtslieden zich naar hun werk moesten begeven. Bij het invallen van den avond waarschuwde zij, dat de stadspoorten gesloten werden en om negen uur maande zij burgers en vreemdelingen aan zich van de straat en uit de (meest Chineesche) herbergen en kroegen — die dan gesloten moesten worden — naar huis te begeven.

Een hospitaal werd op den westelijken oever der Tjiliwoeng gebouwd en daar dichtbij een school gesticht, waar de Nederlandsche en „Javaansche" (d.w.z. in het algemeen: Oost-Indische) jeugd — zoowel jongens als meisjes') onderwezen zou worden. Voor het oprichten van een kerkgebouw, dat zooals reeds vermeld is, aan het Stadhuisplein kwam te staan, werd in 1624. een vrijwillige collecte gehouden. De weeskamer begon in 1625 hare werkzaamheden; een soort armhuis werd in 1629 gesticht.

Zoo werd er in velerlei richting gewerkt, om aan alle maatschappelijke behoeften der aangroeiende stad te voldoen en er het dagelijksch leven regelmatig te doen functionneeren, doch men heeft wel te bedenken, dat vele maatregelen slechts op papier werden genomen en nooit tot uitvoering kwamen, dat andere zeer slecht gehandhaafd of totaal verwaarloosd werden. De in de eerste plaats handel drijvende Compagnie bekommerde zich bovendien in het algemeen uiterst weinig om het wel en wee van de niet-Hollandsche bevolking. De Inlanders hadden het overigens in de stad niet slecht, daar zij geen belasting hoefden te betalen, zooveel grond konden krijgen als ze hebben wilden en weinig diensten hadden te verrichten.2)

Maatregelen om de stad tegen aanvallen van buiten te beveiligen kwamen bij het bestuur niet in de laatste plaats: zij waren niet alleen noodig met het oog op Mataram, doch ook tegen mogelijke aanslagen van Bantam.3) De gouverneur Ranamanggala had de stichting van Batavia niet kunnen verhinderen; de vernietiging ervan zou hij nu wel gaarne in de hand werken, doch daar hij besefte niet zoo sterk te zijn als de Hollanders, kon hij zich niet te zeer blootstellen. Groote vloten of legers rustte hij er dan ook niet tegen uit.

De Hollanders gingen evenmin aanvallend tegen hem te werk; het was hun niet om het bezit der stad, doch om de Bantamsche peper te doen. Wilde men hun die niet goedschiks verkoopen, dan wilden zij anderen, speciaal

1) Zij kregen verschillende lessen, de meisjes vooral in vrouwelijke handwerken. In 1617 was er bij het Djacatrasche kantoor al een schooltje gehouden.

2) Zie Dr. F. de Haan Priangan I, pag. 7.

3) De berichten over Bantam zijn voor dezen tijd zeer schaarsch. Van Bantamsche zijde is er niets van belang. Nederlanders woonden er niet in de stad. Van Engelschen is ook niets aanwezig voor deze periode.

Sluiten