Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Engelschen, ook verhinderen zich daarvan te voorzien. Vandaar dat zij de blokkade van Bantam, reeds in 1619 begonnen, bleven doorzetten, zoowel om Bantam tot toegeven te dwingen als om concurrenten te weren, doch dat zij tegelijkertijd herhaalde malen pogingen deden om de handelsrelaties met de stad te herstellen. Dit laatste stuitte echter telkens af op Bantam's eisch: eerst het fort slechten en van Batavia opbreken. Was de poging mislukt, dan troostten de Hollanders zich wederom, met de gedachte, dat het opheffen van de blokkade een groote slag voor Batavia geweest zou zijn en met allerlei middelen — geoorloofde en ongeoorloofde, zooals vermeld is — probeerden zij dan opnieuw peper van elders te betrekken.

Toch moest, volgens Coen, de keus voor Bantam niet gemakkelijk zijn: sloot het vrede, dan zouden vele Chineezen, die Bantam groot voordeel aanbrachten, dadelijk naar Batavia verhuizen en aan de opkomst van die stad meewerken, terwijl de oorlogstoestand ten gevolge had, dat de handel en het vertier van vreemdelingen ophield, en naar dezelfde gehate stad overging. Maar—de koning, Pangeran Gabang en de rijksgrooten, allen waren het eens met Ranamanggala, die nog steeds de machthebber in het rijk was, over de politiek, welke deze volgde. Het had geen zin, te trachten verdeeldheid onder hen te brengen, door b.v. met den koning een accoord aan te gaan en den gouverneur daarvan uit te sluiten. De Engelschen, die gaarne den handel met de stad wilden herstellen en op eigen gelegenheid (d.w.z. zonder de Hollanders) te werk gingen, hadden dat geprobeerd, doch het was verloren moeite geweest. De Bantammers bleken zóó ontsticht over de poging, dat ze den Engelschen aanzeiden te vertrekken, als ze niet doodgeslagen wilden worden.

Slechts met kleine middelen kon de gouverneur trachten den opbloei van Batavia tegen te gaan. Zoo liet hij de bosschen rondom de stad door kleine gewapende benden onveilig maken en deed hij eenige Chineezen en Javanen, die naar Batavia wilden verhuizen, ter dood brengen tot afschrikwekkend voorbeeld voor de anderen, die hij streng liet bewaken. De rijke Chineezen, wier huizen bij de nadering van Coen in Juni 1619 afgebroken waren, dwong hij wederom nieuwe te bouwen.

In Coen zag Ranamanggala Bantam's ergsten vijand. Was die verdwenen, dan hoopte hij met de andere Hollanders gemakkelijk spel te hebben. Daarom trachtte hij den G. G. uit den weg te ruimen en hij gebruikte daartoe Widjajakrama, den vroegeren, nabij Tanara wonenden, pangeran van Djacatra, wiens ontvoering Bantam zoo weinig gebaat had. Ranamanggala beloofde hem teruggave van zijn onderdanen en herstel in zijn vroegere positie, zoo hij er in slaagde Coen om te brengen. De pangeran nam dit aan: drie moordenaars zond hij op den G.G. af, doch deze, onder een valsch voorgeven in zijn tegenwoordigheid toegelaten, durfden ten slotte hun plan niet te volvoeren.')

n> Van een herstel van Widjajakrama is dan ook niets gekomen. Zijn dochter trouwde echter met den Bantamschen troonopvolger en zijn zoon kwam te Bantam ook weer (in aanzien: hij kreeg er het recht een pajoeng te voeren.

Sluiten