Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook trachtte de rijksbestierder hulp van de Portugeezen te Malaka tegen Batavia te verkrijgen. Hij knoopte betrekkingen met ze aan en eenigen( van hen, die naar Bantam over kwamen, schijnen hem groote voorspiegelingen te hebben gedaan om hem met schepen en troepen tegen den gemeenschappelijken vijand te steunen. In 1623 waarschuwde de vorst van Mataram de Hollandsche gezanten tegen het verbond, dat de Portugeezen met Bantam zouden hebben gesloten. Of dit inderdaad bestaan heeft, is niet zeker, doch in elk geval heeft het niet de minste gevolgen gehad.

Het grootste gevaar voor Bantam duchtte Ranamanggala ten slotte van Mataram, (dat, gelijk bekend is, steeds probeerde Bantam tot leenhulde aan zich te bewegen), daar hij bemerkte dat van Batavia geen aanval zou uitgaan. En mocht het ooit daartoe komen, dan zou die aan de zeezijde plaats hebben, zoodat men zich steeds landwaarts in zou kunnen redden. Als de Matarammer er echter ooit in slagen mocht, zijn legerscharen door het binnenland voor de stad te brengen, waar moest men zich dan bergen? En gansch onvermijdelijk zou Bantam 's ondergang zijn, als de twee vijanden hun macht tegen de stad vereenigden en deze mogelijkheid scheen hem door de herhaalde gezantschappen van de Hollanders naar Karta te bestaan. Toen Dr. de Haen in 1622 van Mataram teruggekeerd, was, wilden de Bantammers wel gaarne weten, of er te hunnen opzichte ook plannen in Mataram waren gesmeed. Listig trachtte de pangeran toen vredesaanbiedingen van Batavia uit te lokken, overwegende, dat het gevaar voor de stad nog niet dreigend was, als dje Hollanders daartoe overgingen. Al te gretig echter ging Coen er op in; nu wist Ranamanggala reeds genoeg en tot groote teleurstelling van de Hollanders brak hij de onderhandelingen bot af.

Dat de vrees voor Mataram's aanvalsplannen, waarover steeds geruchten liepen, in Bantam groot bleef, bleek in 1624, toen Ranamanggala, gelijk reeds verteld is, op de eerste aanmaning den van Madoera gevluchten dipati van Soemenep aan den soesoehoenan uitleverde. Elke aanleiding tot een botsing wilde Bantam vermijden, al schond het daardoor ook het gastrecht. De koning van Bantam werd voor zijn bereidwilligheid met een paard door den keizer beloond.')

In hetzelfde jaar 1624 stond Ranamanggala eindelijk zijn gezag aan den nu bijna dertigjarigen koning af, al bleef hij tot zijn dood nog diens raadgever. Zoo hielp hij nog mede Bantam's zelfstandigheid te handhaven toen de vorst van Cheribon en de toemenggoeng van Tegal in 1625 er op bevel van Mataram nog eens krachtig op aandrongen om des soesoehoenan's oppergezag toch te erkennen. De zending mislukte en toen een Bantamsch gezantschap, ook weder op bevel van Mataram, in Cheribon gevangen werd gehouden, dreigde Bantam den vazal van den keizer met oorlog. De maatregel, die de soesoehoenan in dezen tijd nam, waarbij de meeste bewoners van Soemedang in de Preanger naar Mataram overgeplaatst werden,

!) Zie De Jonge Opkomst V pag. 94.

Sluiten