Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'was echter vermoedelijk minder tegen Bantam dan tegen Batavia gericht, daar laatstgenoemde plaats vee en hout vandaar betrok.

Ranamanggala maakte nog de groote sterfte van 1625 mede, die in Bantam een derde van, de bevolking wegrukte. Haar welvaart was door de blokkade steeds afgenomen en het gebrek aan rijst had zich in de eerste jaren der afsluiting pijnlijk te Bantam doen gevoelen, daarna echter was zij zelve zooveel meer gaan aanplanten, dat dit voedsel er zelfs zeer goedkoop was geworden. Volgens de Hollanders hadden de meeste menschen evenwel geen geld meer om het te koopen. Eigenaardig is wel, dat de koning, wiens inkomsten ook sterk leden, in 1625 besloot een schatting te heffen, niet van de Bantammers, doch van zijn onderdanen in de Lampongs en wel een van vier realen (ƒ 9.—) per hoofd.

De dood van den ouden gouverneur (1626) had wel eenige toenadering met Batavia ten gevolge, al hieven de Hollanders de blokkade, vooral met het oog op de Engelschen, niet op. De Bantamsche regeering liet nu echter oogluikend den uitvoer van peper aan Chineezen toe. Toen nu in 1627 (30 Sept) Coen voor den tweeden maal het G.G.-schap had aanvaard, besloot hij, aangezien Bantam had laten verluiden tot vrede geneigd te zijn, gezanten tot onderhandeling naar den koning af te zenden. Deze ontving hen in audiëntie en aanvaardde de geschenken, die zij meebrachten. Terwijl zij nog met Compagnie's schepen voor Bantam lagen en de onderhandelingen gaande waren, arriveerden er den 24sten en 25sten December Bantammers in prauwen te Batavia, die achtereenvolgens blijkgaven slechte bedoelingen te hebben. Naar later bleek, lagen twee, drie honderd andere prauwen gereed om deze te volgen en bij Ontong Java waren twee duizend man samengetrokken. Ook ten zuiden der stad werden vijandelijke benden aangetroffen, die door ruiterij uiteengejaagd werden. De bedoeling scheen te zijn geweest om den G.G., de Raden van Indië en andere waardigheidsbekleders te dooden en in de daarop volgende verwarring het kasteel of de stad aan te vallen. Het gerucht dat dit alles inderdaad geschied was, werd terstond na de mislukking van den aanslag, in Bantam verspreid.

Coen verdacht er de Engelschen van aan den aanslag te hebben meegewerkt door den Bantammers inlichtingen te verstrekken. Twee duizend realen zouden uitgeloofd zijn, zoo een Engelschman den G.G. doodde; een Javaan zou in dat geval de waardigheid van Dipati verkrijgen. De mislukte toeleg had tengevolge, dat de Hollanders te Batavia waakzamer werden, hetgeen hun zeer te stade kwam.

Wat de beweegreden der Bantammers is geweest, is nooit opgehelderd. Later werd verteld, dat zij met hun aanval den Matarammer, van wiens aanstaande komst naar West-Java zij vermoedelijk berichten hadden gekregen, wilden toonen óók vijanden van de Hollanders te zijn, om zoo zijn gunst te verwerven. Of dit juist is, valt niet na te gaan. De houding van Bantam tegenover de Matarammers, toen zij werkelijk voor Batavia kwamen, was verre van vriendschappelijk, hetgeen zeer begrijpelijk was, daar een

Sluiten